Het sollicitatiegesprek

Dit artikel is een hoofdstuk dat ik heb ik geschreven voor het dossier van Checklist Personeel met als thema Werving en Selectie.

—-

5 Het sollicitatiegesprek

Na een uitgebreide voorselectie, heeft u een aantal kandidaten uitgenodigd voor een nader gesprek. U krijgt een eerste indruk van de kandidaat en hij leert uw organisatie beter kennen. Voor beide partijen speelt het gesprek een belangrijke rol. U wilt aftasten of de kandidaat geschikt is voor de functie en hij bekijkt of de baan en organisatie bij hem passen.

Een sollicitatiegesprek voeren gaat niet vanzelf. Daarvoor is er eerst nog een gedegen voorbereiding nodig. Wat wilt u weten? Even belangrijk is natuurlijk het gesprek zelf. Achteraf kunt u de kandidaten beoordelen. Met behulp van beoordelingsformulieren gaat dit het gemakkelijkst en kunt u ook snel een vergelijking maken tussen de kandidaten. In dit hoofdstuk leest u meer over de eerste en tweede sollicitatieronde- en gesprekken.

5.1 De sollicitatieprocedure

Een sollicitatieprocedure bestaat meestal uit één of twee sollicitatiegesprekken en een arbeidsvoorwaardengesprek. Zeker bij simpele functies die gemakkelijk te vervullen zijn, moet u het niet moeilijker maken dan het is. Voor een belangrijke functie zult u echter meer moeite moeten doen. U wilt immers zeker weten dat de kandidaat geschikt is. In dat geval zal de sollicitatieprocedure dan ook uitgebreider zijn. Maar een belangrijke functie is niet hetzelfde als een hoge functie. Een receptioniste is bijvoorbeeld het visitekaartje van uw organisatie. En een afdelingssecretaresse zorgt ervoor dat alles op de afdeling soepel verloopt. Voor deze belangrijke (maar dus niet hoge) functies kunt u dus kiezen voor een uitgebreide selectieprocedure.

Uitgebreide selectieprocedure
Als het echter gaat om functies op managementniveau, kunt u besluiten om een assessment of psychologische test uit te voeren. U kunt zo meer te weten komen over de geschiktheid van een werknemer. Zeker bij leidinggevende functies is het van groot belang om de juiste persoon op de juiste plek te hebben.

5.2 De eerste gespreksronde

Nadat u een weloverwogen selectie heeft gemaakt uit de sollicitanten, is het tijd voor de eerste gespreksronde. U kunt een sollicitatiegesprek zien als een oriëntatie voor beide partijen. De kandidaat krijgt een eerste indruk van uw organisatie en de functie en u krijgt een beeld van wie de kandidaat is en of hij geschikt is voor de functie. In een eerste gesprek kunt u niet alles bespreken. Daarom wordt er vaak nog een tweede gesprek ingepland. U kunt echter wel proberen om zo veel mogelijk uit de eerste gespreksronde te halen.

5.2.1 Het gesprek voorbereiden
Een goed begin is het halve werk. Een onvoorbereid sollicitatiegesprek is weliswaar vaak gezellig maar verloopt ook rommelig. Om het gesprek zo soepel mogelijk te laten verlopen, kunt u het beste het een en ander voorbereiden. Dan boekt u betere resultaten. De kandidaat bereidt zich immers ook voor op het gesprek en hij mag verwachten dat u hetzelfde doet.

Bereid vragen voor
Zet van tevoren op een rij wat u precies wilt bespreken. Wat vertelt u over uw organisatie en de functie, en wat wilt u van de kandidaat weten (bijvoorbeeld persoonlijke vaardigheden, motivatie en werkervaring). Bedenk vervolgens welke vragen u over deze onderwerpen wilt stellen. Het werkt prettig om van deze vragen een lijst te maken, zodat u puntsgewijs te werk kunt gaan.

Een goede vragenlijst voldoet in principe aan het volgende:
• De gestelde vragen gaan over de belangrijkste onderwerpen en functie-eisen. U heeft immers niet eeuwen de tijd en u wilt snel ter zake te komen.
• Een logische volgorde zorgt ervoor dat het gesprek soepel verloopt. Begin niet met gedetailleerde vragen over vorige werkgevers en eindig ermee de kandidaat iets over zichzelf te laten vertellen.
• De gestelde vragen zijn concreet. Als u specifieke vragen stelt, kan de kandidaat hier een duidelijk antwoord op geven.
• U vraagt alle kandidaten precies hetzelfde, zodat u later gemakkelijk kunt vergelijken.
• Aan het einde beoordeelt u de belangrijkste functie-eisen, zodat u snel een overzicht krijgt van meer en minder geschikte kandidaten. Vooral bij omvangrijke sollicitatieprocedures is dit erg efficiënt.
• Stel open vragen, zodat de kandidaat niet met ‘ja’ of ‘nee’ kan antwoorden. U komt op deze manier meer te weten over de kandidaat.

Tip:
U neemt een sollicitatiegesprek erg serieus en uw kandidaat doet dat ook. Een aantal tips om het gesprek in alle rust te laten verlopen:
• Zorg voor een rustige ruimte en regel die ruimte op tijd;
• Maak een goede tijdsindeling en houd die structuur vast;
• Voorkom storingen of onderbrekingen tijdens het gesprek. Laat uw werknemers weten dat u niet bereikbaar bent voor vragen en boek geen ruimte waar net verbouwd wordt;
• Plan voldoende tijd tussen de gesprekken, zodat u speling heeft als het gesprek uitloopt. Daarnaast kunt u gebruikmaken van deze vrije momenten om wat te eten of naar het toilet te gaan.

De sollicitatiecommissie
Vaak zijn er meerdere personen betrokken bij een sollicitatiegesprek. U bent er natuurlijk ook bij betrokken, maar het is misschien handig om een ervaren werknemer ook aan het gesprek te laten deelnemen. Niet alleen worden zo alle relevante aspecten van de functie behandeld, maar ieder brengt ook zijn eigen expertise in. U beantwoordt vragen over het salaris en cursusmogelijkheden en de werknemer kan meer vertellen over de afdeling en de functie zelf. Het is wel slim om een gespreksleider aan te stellen, zodat u het overzicht bewaart. Het is handig als de leider ook de vragenlijst invult. Wijk niet te veel af van deze lijst en houd de tijd in de gaten. Maak ook afspraken wie waarover oordeelt. Zo ontstaat er een sollicitatiecommissie die zorgt voor een professioneel en zorgvuldig voorbereid gesprek.

Tip:
Als u gebruikmaakt van uw eigen werknemers tijdens een sollicitatiegesprek, nodig dan iemand uit die in de toekomst moet samenwerken met de kandidaat en kijk hoe het klikt. Of laat een deskundige werknemer beoordelen of de vakkennis van de kandidaat op peil is. Dat kost u niets en levert wel veel nuttige informatie op.

5.2.2 Het gesprek zelf
Met een goede voorbereiding komt u al een heel eind. Het is nu zaak om het gesprek op de juiste wijze te voeren. Daar komt nog heel wat bij kijken. U wilt de kandidaat niet alleen op zijn gemak stellen, maar hem ook de juiste vragen stellen en de juiste antwoorden krijgen.

Nerveus
Voor een kandidaat staat er vaak veel op het spel bij een sollicitatiegesprek. De kans bestaat dus dat hij zenuwachtig is. U kunt de kandidaat met een paar simpele trucs op zijn gemak stellen, waardoor het gesprek soepeler verloopt. Op die manier krijgt u eerlijkere antwoorden en wordt het voor beide partijen een plezierig en informatief gesprek.

Tip:
Zo stelt u een kandidaat op zijn gemak:
• Bied een kandidaat altijd eerst wat te drinken aan. De sollicitant kan dan even de eerste indrukken van de organisatie verwerken, terwijl u wat te drinken inschenkt;
• Stel uzelf altijd even voor en vertel wat uw functie is. De kandidaat weet zo met wie hij te maken heeft;
• Begin met een informele vraag over een totaal ander onderwerp. Maak een opmerking over het weer of vraag naar hoe de reis is verlopen;
• Maak duidelijk wat de opbouw van het gesprek zal zijn;
• Geef aan hoe lang het gesprek ongeveer zal duren;
• Vertel de kandidaat wanneer hij vragen kan stellen, bijvoorbeeld tijdens of aan het einde van het gesprek.

Het verhaal
Als u de indruk heeft dat de kandidaat zich op zijn gemak voelt, kunt u beginnen met het inhoudelijke deel van het gesprek. Het is gebruikelijk om eerst iets te vertellen over de organisatie. Wie heeft het bedrijf opgericht, wanneer was dat en wat wordt er precies gedaan? U kunt de organisatiestructuur- en cultuur, de afdelingen en het aantal werknemers bespreken. Vervolgens gaat u specifieker in op de afdeling waar de kandidaat komt te werken en zijn toekomstige functie. Tijdens de tweede sollicitatieronde kunt u meer in details treden. Door meer over uw organisatie te vertellen, kan de kandidaat zich een beeld vormen en zich afvragen of hij bij uw organisatie past.

De vragen
Nu is het tijd om uw voorbereide vragenlijst in de praktijk te brengen. Geef de kandidaat hiervoor de ruimte om zijn verhaal te doen. Stel daarom open vragen (die beginnen met wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe), zodat de kandidaat wel een uitgebreider antwoord moet geven dan simpelweg ‘ja’ of ‘nee’. In het kader op de vorige pagina vindt u een aantal voorbeelden.

Kader:
Vragen tijdens gesprek
Met open vragen komt u vaak meer aan de weet. Een aantal voorbeelden:
• Waarom koos u voor uw studie?
• Wat spreekt u aan in uw huidige baan?
• Wat trekt u aan in deze functie?
• Waarom denkt u geschikt te zijn voor deze functie?
• Hoe gaat u om met conflicten?
• Wat zijn uw slechte eigenschappen?
• Wat zijn uw goede eigenschappen?
• Waarom wilt u weg bij uw huidige werkgever?
• Waarom zouden wij juist ú moeten kiezen?
• Wat wilt u bereiken in de toekomst?

Doorvragen
LSD is een veeltoegepaste interviewtechniek, die staat voor Luisteren, Samenvatten en Doorvragen. Ook bij sollicitatiegesprekken kan dit van pas komen. Luister goed naar de kandidaat en vat na een tijdje de besproken informatie even kort samen (‘dus als ik het goed begrijp…’). Als u niet tevreden bent met een kort of oppervlakkig antwoord, vraag dan door! ‘Kunt u dat nader toelichten met een voorbeeld?’ of ‘Kunt u daar meer over vertellen’ zijn typische doorvragen. U kunt ook even een stilte laten vallen. Voor de kandidaat is het dan duidelijk dat u het woord niet neemt en hij vervolgt dan zijn verhaal.

Tip:
De STAR-methode is ideaal om erachter te komen hoe een kandidaat in reageert als er een probleem ontstaat. U kunt vragen naar situaties uit het verleden: hoe heeft de kandidaat het toen opgelost? STAR staat voor Situatie, Taak, Actie en Resultaat. Werk gericht deze punten af. Wat was het probleem, wat was de taak van de kandidaat, welke actie(s) heeft hij ondernomen en waar leidde dat toe? Dit is een simpele en duidelijke methode om het werkgedrag van de kandidaat in kaart te brengen.

Kader:
Voorbeeld STAR-methode
Jurjen Quadvlieg laat in een sollicitatiegesprek weten dat hij behoorlijk stressbestendig is. U vraagt volgens de STAR-methode naar een voorbeeld hiervan uit het verleden. Jurjen geeft aan dat zijn huidige afdeling een groot verloop heeft gekend. U vraagt Jurjen wat zijn taak precies was en welke acties hij heeft ondernomen. Tot slot evalueert u de situatie door te vragen wat Jurjen precies geleerd heeft.

Vragen van kandidaat
Niet alleen stelt u tijdens een gesprek vragen, uw kandidaat zal dat ongetwijfeld ook doen. Vaak kunt u hier gewoon antwoord op geven. Kijk echter nog niet te ver in de toekomst. Vragen over promotiekansen, vakanties en het salaris komen pas in een later stadium aan bod. Vragen over de werktijden en opleidingsmogelijkheden kunt u echter gerust behandelen tijdens dit gesprek, omdat zij relevant zijn voor de functie.

Tip:
Het komt regelmatig voor dat bij het arbeidsvoorwaardengesprek de werknemer en werkgever het niet eens worden over het salaris. In zo’n geval kan soms de hele wervingsprocedure opnieuw worden ingezet. Geef daarom direct aan wat ongeveer het salaris zal zijn. Tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek kan dan het uiteindelijke salaris besproken worden.

Vervolgprocedure
Sluit een sollicitatiegesprek altijd netjes af. Dat doet u door te vertellen hoe het vervolg van de sollicitatieprocedure verloopt. U kunt de kandidaat laten weten wanneer en hoe hij bericht ontvangt over een eventueel tweede gesprek. Zorg ervoor dat u geen valse hoop wekt bij een kandidaat en houd daarom uw toon neutraal.

Notities
Maak altijd notities tijdens een sollicitatiegesprek. Deze geheugensteuntjes helpen u om achteraf een beoordeling te schrijven. Als u de kandidaten allemaal op dezelfde manier beoordeelt, kunt u ze achteraf gemakkelijk met elkaar vergelijken. U kunt ook met uw gesprekspartners afspreken wie over welke onderwerpen aantekeningen maakt. Het is namelijk onmogelijk om een goed gesprek te voeren en overal notities van te maken. Door de taken te verdelen, krijgt u vaak een gedetailleerder beeld van de kandidaat.

Tip:
Wacht niet al te lang met het beoordelen van een kandidaat, maar doe dit direct na het gesprek. Plan hier eventueel tijd voor in. Hoe langer u steeds wacht, des te moeilijker het is om informatie weer terug te halen.

Sollicitatiecode
De Nederlandse Vereniging voor Personeelsmanagement (NVP) heeft onlangs een nieuwe sollicitatiecode opgesteld. Hierin staan basisregels waaraan de kandidaat en u zich moeten houden. Een sollicitant moet bijvoorbeeld alle vragen naar waarheid beantwoorden en u mag niet zomaar bij derden om informatie vragen zonder toestemming van de kandidaat. Ook de overheid probeert het sollicitatieproces enigszins te reguleren met een aantal regels. Die zijn terug te vinden in de Wet gelijke behandeling, Wet bescherming persoonsgegevens en Wet medische keuringen.

5.3 De tweede gespreksronde

Na de eerste gespreksronde heeft u al een keuze kunnen maken uit een aantal kandidaten. U gaat nu met een klein aantal kandidaten specifieker in op de inhoud van de functie en de organisatie. U kunt bespreken wat in het eerste gesprek niet aan bod is gekomen of u kunt de kandidaat een aantal praktijksituaties voorleggen in een assessment. Als u een officieel assessment afneemt, moet u dit al wel in de vacature melden. Ook kan het zijn dat nu andere gesprekspartners aanwezig zijn. Een vragenlijst is wederom van groot belang, evenals een goede voorbereiding. Deze verschilt in principe niet zoveel van de voorbereiding tijdens de eerste ronde, maar gaat inhoudelijk dieper op bepaalde zaken in.

Geplaatst in Arbo | Een reactie plaatsen

Recensie: Hollenthon – Opus Magnum

Jaar van release: 2008
Label: Napalm Records

hollenthon-opusmagnum

Martin Schirenc heeft het er maar druk mee; nu zijn ene band Pungent Stench weer op een lager pitje staat, heeft hij eindelijk tijd gevonden om aandacht te besteden aan zijn andere band Hollenthon. Naar mijn idee een beetje het ondergeschoven kindje van de twee, aangezien het alweer zeven jaar geleden is dat er een album verscheen aan het Hollenthonfront. Daar komt nu verandering met de nieuwe plaat Opus Magnum en er staan meteen een aantal zomerfestivals op stapel.

Hoewel het gebruikelijker is om te spreken van een Magnum Opus dan een Opus Magnum komt de betekenis van beide op hetzelfde neer: het beste, meest populaire of bekende werk van een artiest oftewel zijn meesterwerk. Nu heeft Hollenthon al een meesterwerkje afgeleverd met zijn tweede album With Vilest Of Worms To Dwell en het is maar de vraag of Hollenthon dit kan overtreffen met Opus Magnum.

Openingsnummer On The Wings Of A Dove werd al gepresenteerd tijdens het optreden van de band op de Arnhem Metal Meeting en bij het nummer Son Of Perdition is inmiddels al een clip verschenen. Misterium Babel opent met Arabische vrouwenzang en weet een heerlijk oosters sfeertje neer te zetten. Het intro van Dying Embers doet denken aan Opeth en gaat vervolgens over in een stevig nummer met indrukwekkende koorzang.

Het unieke geluid van Hollenthon is lastig te omschrijven en zelf heeft Schirenc al allerlei termen hiervoor gehoord, zoals Opeth meets Therion. Opus Magnum klinkt in ieder geval typisch Hollenthon dankzij de nodige koorstukken, gitaarsolo’s, Arabische riedeltjes, de rauwe zang van Schirenc en vrouwenzang van zijn ex-vrouw Elena. Op zich weinig nieuws ten opzichte van With Vilest Of Worms To Dwell, alleen lijkt het gitaarspel nu wat simpeler dan eerst en zijn de nummers wat minder episch en meer recht toe recht aan-metal.

Het moge duidelijk zijn dat Opus Magnum een heerlijk werkje is geworden met acht sterke nummers. Toch lijkt het erop dat dit album een herhalingsoefening is van With Vilest Of Worms To Dwell en dat op een iets lager niveau. Hollenthon mag dan wel terug zijn met een prima album, maar het beloofde meesterwerk is Opus Magnum niet geworden.

Tracklist:
1. On The Wings Of A Dove
2. To Fabled Lands
3. Son Of Perdition
4. Ars Moriendi
5. Once We Were Kings
6. Of Splendid Worlds
7. Dying Embers
8. Misterium Babel

Score: 85 / 100

Reviewer: Nicole
Toegevoegd: 23 mei 2008

Gepubliceerd op http://www.metalfan.nl/reviews.php?id=4701

Geplaatst in Muziek | Een reactie plaatsen

Recensie: From Ashes – As The Leaves Fall

Jaar van release: 2007
Label: Eigen beheer

fromashesleaves

Sinds 2001 is het Finse From Ashes bezig met het maken van “Dark metal/gothic extreme”, zoals zij zelf omschrijven. De band heeft inmiddels al vier demo’s uitgebracht en As The Leaves Fall is hun eerste volledige album, waar de band 18 maanden aan gewerkt heeft. From Ashes heeft naar eigen zeggen twee troeven: zo gebruikt de band geen lead gitaar, maar een cello en daarnaast beschikt From Ashes over het vocale kunnen van een vrouwelijke growler.

Hoewel dit alles leuk en aardig klinkt, blijft As The Leaves Fall na zes keer luisteren nog steeds niet hangen. Alles aan dit album is middelmatig. De coverart, de muziek zelf en de titels van nummers zijn niet meer dan uiterst on-origineel. Het gebruik van de cello is een leuk en origineel idee, maar komt op de meeste nummers niet tot zijn recht. Het ene moment is de cello goed te horen, maar op andere momenten valt deze weg tegen de andere instrumenten. De growls worden afgewisseld met middelmatige clean vocals en verdere afwisseling is te vinden in het tempo van de muziek in de nummers.

From Ashes is beter te omschrijven als black metal met klassieke invloeden dankzij het gebruik van een cello. De band verloochent haar afkomst niet en enkele nummers op dit album zijn dan ook Finstalig. Zij die hiervan houden, hebben met As The Leaves Fall ongetwijfeld een goede schijf in handen. Zij die hier niet van houden, kunnen deze plaat maar beter links laten liggen.

Tracklist:
1. Blackened
2. Withering Leaves
3. Starlit Thoughts
4. Temporary
5. Dream Of Eternity
6. Voiton Paiva
7. Gehenna
8. Exiled
9. Song Of Autumn
10. Shadowy Garden

Score: 58 / 100

Reviewer: Nicole
Toegevoegd: 7 juni 2007

Gepubliceerd op http://www.metalfan.nl/reviews.php?id=3709

Geplaatst in Muziek | Een reactie plaatsen

Hoge bomen vangen veel wind

Om onze stage toch een wetenschappelijk tintje te geven, kregen we de opdracht mee om een essay te schrijven naar aanleiding van onze stage. Tijdens een van de ochtendvergaderingen merkte ik dat er nogal wat onenigheid bestond over de manier waarop de Arnhemse redactie had geschreven over Martin van M. Hij is voorzitter van een politieke partij in Arnhem en werd beschuldigd van het bezit van kinderporno. Heeft het nog wel zin om zijn achternaam af te korten als iedereen wel weet wie er bedoelt wordt? In dit essay ging ik op zoek naar de bestaande regelgeving op dit gebied.

—-

Hoge bomen vangen veel wind

Door Nicole Cordewener

Nieuwssite http://www.nu.nl plaatste op zaterdagmiddag 27 november een opvallend bericht over een Arnhemse politicus die is aangehouden voor het bezit van kinderporno. ‘Het gaat om de 59-jarige Martin van M., van de twee leden tellende fractie van Pro Arnhem.’[1] Het komt enigszins belachelijk over dat http://www.nu.nl nog de moeite neemt om de naam van de verdachte af te korten met een initiaal, terwijl het een koud kunstje is om zijn achternaam op te zoeken op het internet. Het is niet de eerste keer dat de volledige naam van een verdachte voor het oprapen ligt, denk maar aan het drama op Koninginnedag in 2009. RTL en http://www.nu.nl hielden krampachtig vast aan Karst T., terwijl de achternaam Tates al bekend was gemaakt door het NOS Journaal en het AD.[2] Hetzelfde gebeurde met de moordenaar van Pim Fortuyn, die door media zowel Volkert van der G. als Volkert van der Graaf wordt genoemd.[3]

Het is een journalistiek gebruik om verdachten zo onherkenbaar mogelijk in beeld te brengen. Daarom worden initialen en tekeningen gebruikt in plaats van volledige namen en foto’s met het bekende balkje. Waarom is in bovenstaande gevallen afgeweken van deze gewoonte? Hoe gaan media in de praktijk om met de bescherming van de privacy van daders? Waar liggen de grenzen? Wat zal er gaan gebeuren met de initialenkwestie? Aan de hand van het dilemma omtrent Martin van Meurs wil ik laten zien dat dagbladen hier verschillende opvattingen over hebben. Ik probeer een antwoord te vinden op het dilemma waar veel journalisten voor komen te staan: gebruik ik initialen of schrijf ik de naam van een verdachte voluit?

1. Een duik in de geschiedenis

Het vervangen van een volledige naam door initialen is iets wat heel ver teruggaat. Herman Franke deed onderzoek naar de misdaadverslaggeving in het Algemeen Handelsblad, de eerste krant die vanaf 1 november 1831 dagelijks verscheen. Namen worden volledig vermeld, evenals de woonplaats en soms zelfs het woonadres van de verdachte. Ook het uiterlijk speelt een rol in de berichtgeving. Pas in 1839 verschijnen de eerste artikelen waarin uitsluitend initialen zijn gebruikt.[4] In de periode die volgt is er sprake van ‘een gevarieerde praktijk’.[5]

Na de Tweede Wereldoorlog kiezen journalisten er steeds vaker voor om de volledige naam van een verdachte te publiceren. In 1953 laat de Commissie Justitie-Politie-Pers weten dat zij het hier niet mee eens is. Zij vindt het juist een goede gewoonte om verdachten aan te duiden met initialen. De commissie zou het toejuichen als de pers deze gewoonte in ere wil herstellen. In datzelfde jaar leggen hoofdredacteuren deze regel vast als algemene richtlijn, ook wel de initialen-oekaze genaamd.[6]

Vanaf die tijd houden journalisten zich aan deze regel. De Volkskrant, Trouw en NRC Handelsblad besluiten zelfs om identificeerbare gegevens helemaal weg te laten. In de jaren tachtig kwam het gebruik van volledige namen weer even terug bij bepaalde fraude- en milieuaffaires.[7]  En aan het begin van de 21e eeuw werd de kwestie weer actueel dankzij de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Geert-Jan Laan, hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden, besloot bewust om de volledige naam van de moordenaar van Pim Fortuyn te noemen in zijn krant.[8]

Ook politici als Geert Wilders hebben een mening over deze kwestie. ‘Stuur criminelen niet langer op vakantie, maar zet hun naam en foto en misdrijf op internet’, zei hij in 2007.[9] Anno 2011 lijkt de initialenkwestie weer een belangrijk onderwerp op de journalistieke agenda te zijn geworden.

2. Publieke figuren

Hoewel de initialen-oekaze in 1953 vrijwel probleemloos is aangenomen, zijn er echter nog wel wat uitzonderingen op de regel. Zo vond de Commissie Justitie-Politie-Pers al dat de initialenkwestie niet van toepassing was wanneer een vooraanstaande persoonlijkheid de verdachte in een strafzaak is. ‘Dit feit kan toch onmogelijk geheim blijven’. [10] Thijs Willem van Veen, op dat moment adjunct-hoofdredacteur van Het Vrije Volk, vindt ook dat journalisten de volledige naam van vooraanstaande mensen mogen noemen als zij verdachte zijn.[11]

Media kiezen er in dit soort situaties vaak voor om dan toch de volledige naam van de publieke persoon weer te geven. Een van de eerste keren dat dit voorkwam, was in 1968. Er verscheen toen een artikel over de landbouwer J.T.M. uit Nieuw-Scheemda. Deze man bleek een aanrijding te hebben veroorzaakt en was, zoals Het Vrije Volk ontdekte, destijds de voorzitter van de CHU-fractie in de Tweede Kamer. Reden voor die krant om de volledige naam van de politicus te publiceren. Andere dagbladen volgden.[12]  

Ulco van de Pol stelt in zijn proefschrift dat publieke figuren vanaf dat moment bij hun volledige naam genoemd worden in de media. Hij geeft het voorbeeld van Erica Terpstra die in 1983 in het nieuws kwam, omdat ze onder invloed een botsing had veroorzaakt. Trouw liet weten dat er andere normen gelden voor leden van de volksvertegenwoordiging. De kiezers hebben het recht om dit soort dingen te weten te komen, zo stelt de krant.[13]

Er zijn nog meer uitzonderingen mogelijk op de initialenkwestie, deze zullen kort aan bod komen in de volgende twee paragrafen.

3. Initialen versus namen

De privacy van verdachten en veroordeelden kan dus beschermd worden door initialen te gebruiken en verder alleen leeftijd, woonplaats en beroep (mits relevant) te vermelden. Dat zijn de criteria waar de Raad voor de Journalistiek op let als zij uitspraak doet over zaken waarbij de privacyregel in het geding is. De Raad beoordeelt dan of het artikel maatschappelijk aanvaardbaar is en of er geen journalistiek belang mee gemoeid is.[14]

3.1 Voor initialen

In ons land ben je onschuldig tot het tegendeel is bewezen. Een verdachte is daarom nog steeds onschuldig, ook al zit hij vast in afwachting op zijn proces. Voor een veroordeelde geldt dat het noemen van zijn volledige naam een resocialisatie kan doen mislukken. Daarnaast kan het zijn straf verzwaren. Als bijvoorbeeld uitkomt dat iemand veroordeeld is voor pedofilie, dan kan hij een hele vervelende tijd hebben in de gevangenis. Al deze persoonlijke belangen horen zwaarder te wegen dan het journalistieke of algemene belang.[15]

Dimitri Tokmetzis beschreef in 2009 hoe twee Duitse moordenaars na hun vrijlating van Wikipedia en verschillende media eisten dat hun namen zouden worden ingekort tot initialen. Er waren honderdduizenden zoekresultaten op de namen Wolfgang Werle en Manfred Lauber. In Duitsland geldt dat je na je vrijlating ook weer helemaal schuldenvrij bent. Je hebt je straf uitgezeten. In ons land geldt deze regeling niet, maar dit voorbeeld geeft wel aan dat het gebruik van volledige namen een gigantische impact heeft op het privéleven van een verdachte. Zeker met de moderne technologie. Alles wat op internet komt te staan, blijft altijd online te vinden.

3.2 Voor volledige namen

Thijs Willem van Veen, toenmalig adjunct-hoofdredacteur van Het Vrije Volk, gaf in 1950 al een aantal argumenten voor de vermelding van namen in de berichtgeving:

  1. De pers moet nieuws toegankelijk maken voor de massa. Het publiek kan zich beter inleven door de betrokkenen herkenbaar te maken.
  2. Een naam maakt het voor lezers gemakkelijker om een zaak te volgen, zeker als de artikelen in een langere tijdsperiode verschijnen.
  3. Het is mogelijk om het optreden van justitie effectiever te controleren, bijvoorbeeld of er misbruik is gemaakt van de arrestatiebevoegdheid.
  4. De kans op persoonswisseling is kleiner.
  5. In kleinere gemeenschappen is het mogelijk om verdachten op basis van initialen te achterhalen. ‘Het is dus zinniger ieder te laten weten wat er met de verdachte gebeurd is en dus maar zijn naam te noemen.’
  6. Soms kan het in belang van het onderzoek zijn om een naam juist wel te noemen, denk maar een beruchte moordenaar die eindelijk is gearresteerd.[16]

Toen Geert-Jan Laan in 2002 en 2003 hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden was, noemde hij het gebruik van initialen in het geval van Volkert van der G. hypocriet. ‘Want het gaat hier om een zaak die uitgebreid belicht is in de media. Daarnaast is hij uitgebreid geportretteerd.’ Zoiets mag volgens Laan alleen als de verdachte officieel is aangeklaagd en een openbare rechtszaak krijgt.[17] Volgens die gedachtegang is het ook hypocriet dat Van Meurs door sommige media aangeduid wordt met initialen.

Dimitri Tokmetzis, freelance correspondent in Amerika, gaat nog een stapje verder. Hij is van mening dat als je een misdrijf begaat, jouw gedrag onderdeel wordt van de publieke rechtspraak. En die publieke rechtspraak is openbaar. Je hebt dus als het ware een deel van je privacy opgegeven. Ben je het daar niet mee eens, dan had je dat moeten bedenken voor je een misdrijf pleegde.[18]

Ook journalist Sytse Wilman pleit voor een verruiming van de initialenkwestie. Hij stelt dat er nu al uitzonderingen zijn, bijvoorbeeld ‘als de verdachte een publiek persoon is, zelf de publiciteit zoekt of als zijn identiteit van doorslaggevend belang is voor de nieuwswaarde van het bericht. Daar zouden wat mij betreft grote zaken, die de hele samenleving schokken en ook internationaal nieuwswaarde hebben, aan toegevoegd moeten worden. In die schaarse gevallen zouden Nederlandse kranten minder krampachtig met het namenbeleid om moeten gaan.’[19]

3.3 Geen namen en geen initialen

A. Maandag pleit in De Journalist voor een derde optie: in principe worden geen namen geplaatst, ook geen initialen en bij wijze van hoge uitzondering in schokkende zaken mag de volledige naam gepubliceerd worden.[20] Er zijn al regionale media die voor deze optie kiezen, omdat in kleine gemeenschappen de kans op herkenning veel groter is, zelfs als initialen worden gebruikt.[21]

4. De journalistieke codes

In 1953 werd de privacyregel, de initialen-oekaze, door hoofdredacteuren vastgelegd. Dit beginsel is overgenomen door andere journalistieke organisaties en maakt onderdeel uit van journalistieke leidraden en codes. Zo is er de Raad voor de Journalistiek: het zelfregulerende orgaan voor media in ons land. Wie klachten heeft over journalistieke producties, kan bij de Raad vragen om een uitspraak. In artikel 2 over Privacy wordt duidelijk hoe de Raad denkt over de initialenkwestie:

‘2.4.1. De journalist zal de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.

2.4.2. Voor mensen met publieke c.q. min of meer openbare functies en voor bekende Nederlanders is een zekere mate van blootstelling aan ongewilde publiciteit onvermijdelijk. Hun privégedrag en gedrag in besloten en privé-omgeving hebben recht op bescherming tegen ongewilde inbreuken, tenzij dat gedrag aantoonbaar van invloed is op hun publiek functioneren.

2.4.6. De journalist voorkomt dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd.

Aan deze regel is de journalist niet gehouden wanneer:

- de naam een wezenlijk bestanddeel van de berichtgeving is;

- het niet vermelden van de naam wegens de algemene bekendheid van de betrokkene geen doel dient;

- door het niet vermelden van de naam verwarring kan ontstaan met anderen die hierdoor voorzienbaar kunnen worden geschaad;

- het vermelden van de naam gebeurt in het kader van opsporingsberichtgeving;

- de betrokkene zelf de openbaarheid zoekt.’[22]

Het is opmerkelijk dat de initialenkwestie niet specifiek wordt toegelicht. De Raad houdt het op ‘het voorkomen dat gegevens in woord en beeld worden gepubliceerd waardoor verdachten en veroordeelden kunnen worden geïdentificeerd’. Het is niet duidelijk hoe journalisten dit in de praktijk moet brengen. De Code voor de Journalistiek van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) en het Genootschap van Hoofdredacteuren zeggen iets soortgelijks onder artikel 19:

‘De journalist ontziet de privacy van slachtoffers, nabestaanden, patiënten maar ook van verdachten en daders door de algemene herkenbaarheid van betrokkenen in de berichtgeving te vermijden in al die gevallen waarin deze personen onevenredig nadeel van herkenbaarheid zullen ondervinden en voor zover het vermijden van herkenbaarheid niet in strijd is met het belang van een adequate berichtgeving.’[23]

Het stijlboek van NRC Handelsblad bijvoorbeeld is hier veel concreter in:

‘De identiteit van justitiële verdachten en veroordeelden wordt alleen aangegeven met initialen. De krant is neutraal ten opzichte van justitie. Wij werken niet mee aan opsporing, wij vervolgen en veroordelen niet – wij berichten. Met naam in de krant staan kan een extra straf zijn en dat moeten we voorkomen. Verder kunnen, zeker als het om weinig voorkomende namen gaat, familieleden betrokken raken bij een daad waaraan zij part noch deel hebben.

Sekse, woonplaats, beroep en afkomst worden alleen vermeld als deze relevant zijn. Wanneer de persoon zo bekend is dat initialen absurd zijn (de oud topvoetballer Johan C.) vermelden we wel de volledige naam. Hebben betrokkenen er zelf geen bezwaar tegen, dan kunnen we de naam vermelden.

Dat een naam elders, bijvoorbeeld op internetsites, wél volledig wordt gemeld, ontslaat ons niet van de plicht een eigen afweging te maken.’[24]

Dankzij deze concrete richtlijn, is NRC Handelsblad de enige krant die consequent een initiaal gebruikt in het geval van de ontsnapte tbs-patiënt Wilhelm Schippers. Zijn volledige naam is vrijgegeven om hem zo snel mogelijk te kunnen opsporen. Kranten krijgen het moeilijk als Schippers weer wordt aangehouden. Hij is nog een verdachte, maar zijn volledige naam is enkele dagen eerder bekend gemaakt. Hoe nu verder? Er heerst grote twijfel onder de dagbladen. Soms worden vijf verschillende benamingen (W.S., Schippers, Schipper, Wilhelm S. en Willem S.) in één krant gebruikt. Het ene dagblad ging van naam naar initiaal over (Telegraaf, Trouw), een andere krant deed het tegenovergestelde (de Volkskrant) en het AD wisselde van initiaal naar naam naar initiaal.[25]

5. De Gelderlander

Waar de codes van de Raad voor de Journalistiek en NVJ erg theoretisch en ‘vaag’ blijven, is die van een dagblad als NRC Handelsblad juist erg praktisch en direct toe te passen. De regionale krant De Gelderlander geeft in haar code een summiere beschrijving hoe journalisten dienen te handelen om de privacy van betrokkenen te beschermen. De code van De Gelderlander zegt: ‘De journalist zal de privacy van slachtoffers, nabestaanden, patiënten, maar ook van verdachten en daders niet verder aantasten dan in het kader van een open berichtgeving noodzakelijk is.’[26]

Zoals hoofdredacteur Kees Pijnappels in een column ook beschrijft, is er veel discussie geweest binnen de redactie of Van Meurs wel of niet met zijn volledige naam in de krant zou komen. Een aantal journalisten meent dat er gewerkt moet worden met initialen en zwarte balkjes op foto’s. Er wordt uiteindelijk anders besloten. Op internet en in de krant vragen lezers zich af waarom er van de normale gang van zaken is afgeweken. Tom Ruijfrok is redactiechef in Arnhem als blijkt dat de opgepakte verdachte de bekende politicus Van Meurs is. Hij legt uit:

‘Maar dit is geen gewone zaak. De verdachte is een zeer bekende Arnhemmer, die werkzaam is in de publieke sector en ook een publiekelijke verantwoordelijkheid draagt. Bovendien heeft het onderzoek dat momenteel naar de activiteiten van Van Meurs loopt, direct gevolgen voor het functioneren van de lokale democratie. Van Meurs speelt als lid, fractievoorzitter en vice-voorzitter van de Arnhemse gemeenteraad een cruciale rol in de lokale politiek. De twee weken voorarrest voor Van Meurs zullen hoe dan ook consequenties hebben voor het functioneren van die lokale politiek. Een regionale krant kan onmogelijk melding maken van die gevolgen zonder ook de oorzaken uit de doeken te doen.’[27]

Pijnappels is het met hem eens en schrijft dat de redactie het uiteindelijk snel eens was over deze zaak. ‘Het betreft hier een verdachte wiens identiteit we niet verhullen, omdat hij een publieke (voorbeeld)functie bekleedt. Net zomin als die van de burgemeester die wordt betrapt op rijden onder invloed.’[28] Of zoals hij in een mailtje uitlegde aan de redacties: hoge bomen vangen veel wind. Evers zegt iets soortgelijks: ‘Wie vaak in het nieuws is en ook zelf regelmatig de publiciteit zoekt, moet dan ook niet zeuren wanneer die publiciteit soms onaangenaam is.’[29]

5.1 Het vervolg

De soap rond Van Meurs krijgt nog een staartje. Verslaggever Berrie van Helden probeert in contact te komen met de politicus om zijn kant van het verhaal te horen. Deze wil hier nog niet over praten, dat wil hij pas als de rechter uitspraak heeft gedaan. Wel stuurt de verdachte een aantal columns in, waarin hij het gebeuren omschrijft als een misstap. De redacteur in kwestie vond dit nieuws en publiceerde dat, samen met een aantal fragmenten uit de columns. De Gelderlander krijgt veel reacties op deze publicatie. ‘Stuitend’, noemen lezers het dat een verdachte op die manier een podium krijgt dat hij niet verdient. Het zou getuigen van weinig respect naar de eventuele slachtoffers van Van Meurs.[30]

In de verslaggeving rond Van Meurs is de redactie volgens lezer Henk Keizer over de grens van het journalistiek fatsoenlijke gegaan. John Bruinsma, op dat moment chef redactie in Arnhem, reageert hier als volgt op: ‘Omdat hij als publiek figuur verwikkeld is geraakt in een heftige zaak, is zijn naam de afgelopen maanden al op straat beland. Het zou hypocriet zijn geweest de zaak niet uitvoerig te belichten nu de vuile was in de rechtszaal is buiten gehangen. Zijn foto lieten we wel weg. Alsook alle ranzige details die tijdens de rechtszaak voorbij kwamen.’[31]

6. Andere media

De Gelderlander is niet de enige krant die Van Meurs bij zijn volledige naam noemt. Andere kranten van Wegener, zoals De Stentor, Brabants Dagblad en BN/De Stem, volgen het voorbeeld van de Gelderse krant. Al deze dagbladen kiezen ervoor om de volledige naam van Van Meurs te publiceren in hun artikelen. Omdat de kranten onderdeel van hetzelfde bedrijf zijn, wordt er onderling kopij uitgewisseld. De redactie in Arnhem draagt zorg voor de artikelen rond Van Meurs, waarna andere redacties de stukken kunnen overnemen of naar wens kunnen aanpassen. Het is dus goed mogelijk dat het vermelden van Van Meurs’ volledige naam dus een kwestie van overnemen is.

Alle andere media (Metro, de Volkskrant, Trouw en Reformatorisch Dagblad) die over de zaak schrijven besluiten om de verdachte, net als http://www.nu.nl, aan te duiden als Martin van M. uit Arnhem. Toch vermelden vrijwel alle kranten erbij dat hij de fractievoorzitter is van de lokale partij Pro Arnhem en vaak ook dat hij 59 jaar is. Vermoedelijk is deze informatie direct overgenomen van een ANP-bericht. In het enkele geval dat er een foto bij een artikel wordt geplaatst, besluit het AD bijvoorbeeld om een zwart balkje over de ogen van Van Meurs te plaatsen.[32] De Gelderlander doet dit bewust niet.[33]

7. Buitenland

Hoe gaan media in andere landen om met de privacy van verdachten? Want internet is niet gebonden aan grenzen en laat buitenlandse normen en waarden toe in ons land.[34] Zo heeft het weinig zin om een Britse moordenaar die bij naam genoemd wordt in zijn eigen land, in Nederlandse media aan te duiden met initialen. ‘De reden is dat de schade die verdachten in het buitenland zouden kunnen ondervinden van een vermelding in onze krant, in het algemeen zeer gering is’, schrijft Birgit Donker, oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad.[35]  In veel landen worden verdachten gewoon naar voren gebracht met hun volledige naam. Denk maar aan Osama Bin Laden en O.J. Simpson. Toch zijn er ook uitzonderingen. Toen in 1986 de Zweedse premier vermoord werd, wist men twee jaar lang alle verdachten aan te duiden met initialen.[36]

In België proberen ze eveneens om verdachten zoveel mogelijk met initialen neer te zetten in de media. De initialenkwestie die hier soms hoog kan oplaaien, krijgt bij onze zuiderburen minder aandacht. Zo leggen zij de privacyregels minder expliciet vast dan wij. Wel hebben de Belgen een uitzondering gemaakt voor de gruweldaden van Marc Dutroux, die al met zijn volledige naam in de media verscheen voordat hij veroordeeld was. De Belgische Raad voor de Journalistiek zei hierover ‘dat in deze zaak het recht op informatie primeert op het recht op privacy van beschuldigde Dutroux.’[37]

8. Conclusie

Dat de Gelderlander politicus Martin van Meurs met zijn volledige naam in de krant heeft gezet, lijkt mij een terechte keuze. Vrijwel alle bronnen zijn het erover eens dat een journalist zoveel mogelijk moet proberen om verdachten onherkenbaar neer te zetten. Maar zij stellen ook dat er andere regels gelden voor publieke figuren als Van Meurs. De vraag is nu wat dit betekent voor de initialenkwestie. In hoeverre is het nog vol te houden om verdachten met initialen aan te duiden als iemand al herkenbaar is aan zijn leeftijd, woonplaats en beroep? Zeker nu we met behulp van internet in no time kunnen achterhalen wie bedoeld wordt met de gebruikte initialen en gegevens. Een website als Geen Stijl maakt er een sport van om aan zoveel mogelijk privégegevens te komen. Denk ook maar eens aan de zaak Milly Boele. Toen eenmaal bekend was dat de dader Sander V. was, verschenen zijn Hyvesfoto’s in de media (weliswaar voorzien van het zwarte balkje).

De discussie lijkt niet meer te draaien rond de initialenkwestie, maar is veel omvattender. De privacy van een verdachte is in het geding. Digitale media spelen hierbij een rol. Manfred Lauber en Wolfgang Werle pleegden in 1990 een moord, zaten hun straf uit, maar worden nog dagelijks geconfronteerd met hun misdaad. Met enkele muisklikken zijn duizenden resultaten te vinden waaruit het verleden van deze twee duidelijk wordt. Wat eenmaal op internet staat, gaat nooit meer weg.[38] Volgens Sytse Wilman houdt de Raad voor de Journalistiek te weinig rekening met de gevolgen of huidige technologische inzichten waarmee een verdachte door het publiek kan worden opgespoord.[39]

Het is opvallend dat sommige media besloten hebben om Van Meurs toch met initialen aan te duiden, terwijl via lokale media achterhaald kan worden wat zijn volledige naam is. Bovendien heeft Van Meurs een unieke functie als voorzitter van een politieke partij. In combinatie met zijn initialen kan zijn identiteit in enkele seconden achterhaald worden. Het komt daarom enigszins bespottelijk over om te blijven vasthouden aan voorletters.

Ik ben van mening dat alle media dezelfde regel zouden moeten hanteren. Als buitenlandse media de naam van een verdachte in hun land publiceren, dan nemen wij dit over. Doet een Nederlandse krant dit, dan blijven andere media stug volhouden aan de initialenregel. Hun berichtgeving komt op die manier erg bespottelijk over, zeker als er zoveel aanvullende gegevens worden gepubliceerd dat de initialenregel teniet wordt gedaan.[40] De Raad voor de Journalistiek of de NVJ zou haar code moeten aanpassen en praktische richtlijnen kunnen bieden, bijvoorbeeld zoals NRC Handelsblad dit doet. Op die manier is er meer duidelijkheid voor journalisten. Bovendien zouden alle kranten dezelfde regels moeten hanteren. Dat is nu nog niet het geval, zo constateert Evers.[41] En dit blijkt ook uit het voorbeeld over Wilhelm Schippers. Ook het publiek klaagt regelmatig over het niet consequent hanteren van de initialenregel. Het is niet voor niets dat kranten een ombudsman of lezersredacteur in huis hebben.[42]

Welke kant de initialenkwestie ook opgaat, er zal altijd een grijs gebied blijven bestaan als het gaat om privacyregels en journalistieke ethiek. Het staat echter buiten kijf dat in de toekomst een heldere en aangepaste code nodig zal zijn. Want met de technologische ontwikkelingen van nu zal het onmogelijk zijn om verdachten onherkenbaar houden, ook al doen de media daar nog zo hun best voor.

 


[4] Franke, Herman. Van schavot naar krantenkolom: over de ontwikkeling van de misdaadverslaggeving in het Algemeen Handelsblad vanaf 1828 tot 1900. Amsterdam: Sociologisch instituut Universiteit van Amsterdam, 1981, p. 21-22.

[5] Evers, Huub. Media-ethiek. Groningen/Houten: Wolters Noordhoff, 2007, p. 106.

[6] Pol, Ulco van de. Openbaar terecht. Een onderzoek van het openbaarheidsbeginsel in de strafrechtpleging. Arnhem: Gouda Quint bv, 1986, p. 298-299.

[7] Evers, Huub. Media-ethiek. Groningen/Houten: Wolters Noordhoff, 2007, p. 106.

[9] Wilman, Sytse. ‘De initialenregel moet worden verruimd’. Beschikbaar via: http://www.denieuwereporter.nl/2007/09/de-initialenregel-moet-worden-verruimd/, geraadpleegd op 3 april 2011

[10] Rapport Commissie Justitie-Politie-Pers, ’s-Gravenhage, 1953, p. 23.

[11] Pol, Ulco van de. Openbaar terecht. Een onderzoek van het openbaarheidsbeginsel in de strafrechtpleging. Arnhem: Gouda Quint bv, 1986, p. 298-299.

[12] Evers, Huub. Media-ethiek. Groningen/Houten: Wolters Noordhoff, 2007, p. 106.

[13] Pol, Ulco van de. Openbaar terecht. Een onderzoek van het openbaarheidsbeginsel in de strafrechtpleging. Arnhem: Gouda Quint bv, 1986, p. 219.

[15] Evers, Huub. Media-ethiek. Groningen/Houten: Wolters Noordhoff, 2007, p. 107.

[16] Pol, Ulco van de. Openbaar terecht. Een onderzoek van het openbaarheidsbeginsel in de strafrechtpleging. Arnhem: Gouda Quint bv, 1986, p. 298-299.

[20] Maandag, A. ‘Balkjes en initialen’. In: De Journalist, 22 december 2004.

[21] Evers, Huub. Media-ethiek. Groningen/Houten: Wolters Noordhoff, 2007, p. 108.

[22] Leidraad Raad voor de Journalistiek. Beschikbaar via: www.rvdj.nl, geraadpleegd op 3 april 2011.

[23] Code voor de Journalistiek. Beschikbaar via: http://www.genootschapvanhoofdredacteuren.nl/het_genootschap/code-voor-de-journalistiek.html, geraadpleegd op 3 april 2011.

[24] Stijlboek NRC Handelsblad. Beschikbaar via http://apps.nrc.nl/stijlboek/initialen-bijnaam, geraadpleegd op 3 april 2011.

[26] Pijnappels, Kees. ‘Namen’. In: De Gelderlander, 18 december 2010.

[27] Reactie Tom Ruijfrok op ‘Zaak van Meurs verbijstert raad Arnhem’, beschikbaar via http://www.gelderlander.nl/voorpagina/arnhem/7704501/Zaak-Van-Meurs-verbijstert-raad-Arnhem.ece?start=6&sort=asc#reakties, geraadpleegd op 3 april 2011.

[28] Pijnappels, Kees. ‘Namen’. In: De Gelderlander, 18 december 2010.

[29] Evers, Huub. Media-ethiek. Groningen/Houten: Wolters Noordhoff, 2007, p. 115.

[30] Bruinsma, John. ‘Misstap’. In: De Gelderlander, 12 februari 2011.

[31] Bruinsma, John. ‘Heftig’. In: De Gelderlander, 5 maart 2011.

[40] Evers, Huub. Journalistiek en ethiek. Delft: Eburon, 1987, p. 87.

[41] Evers, Huub. Media-ethiek. Groningen/Houten: Wolters Noordhoff, 2007, p. 114.

[42] Evers, Huub. Media-ethiek. Groningen/Houten: Wolters Noordhoff, 2007, p. 108.

Geplaatst in Journalistiek | Tags: | Een reactie plaatsen

Van miljonair tot krantenman; een interview met Jan-Jaap Heij

Dit interview was een opdracht voor mijn studie en is later opgenomen in de bundel De hoofdredacteur van Huub Wijfjes en Bas de Jong. Jan-Jaap Heij was tot 2012 de hoofdredacteur van gratis kwaliteitskrant De Pers.

Jan-Jaap Heij, Hoofdredacteur van Dagblad De Pers
Nicole Cordewener

Van miljonair tot krantenman
Jan-Jaap Heij over de eigen toon van De Pers

Hij had in 2002 hoofdredacteur kunnen worden van die andere gratis krant, maar het lot besloot anders. Via een omweg belandde hij alsnog in de sector. In 2006 werd Jan-Jaap Heij door zijn goede vriend Ben Rogmans gevraagd mee te werken aan de lancering van de eerste gratis kwaliteitskrant ter wereld, De Pers. Het idee was afkomstig van Cornelis van den Berg, het startkapitaal van multimiljonair Marcel Boekhoorn. Een paar jaar later is Jan-Jaap Heij hoofdredacteur van deze krant.

Jan-Jaap Heij wist al vroeg hoe zijn carrière eruit zou zien. Anders dan veel van zijn huidige collega’s was het niet de journalistiek waar hij van droomde. ‘Ik wilde miljonair worden om precies te kunnen doen wat ik zelf wil, weglopen als ik daar zin in heb en vrij kunnen handelen’, zei hij in 2007. Heij studeerde economie en politicologie. Daar werd hij niet rijk van. Maar van zijn ouders kreeg hij een paar ton in guldens. ‘Dat heb ik belegd in beursintroducties in de Verenigde Staten met een beleggingsclubje. Uiteindelijk was ik op mijn twintigste miljonair.’
Werken doet Heij dan ook vooral voor zijn plezier. ‘Ik vind het hartstikke leuk om mediaproducties te maken die mensen graag lezen.’ Toch wilde hij in eerste instantie geen journalist worden, maar consultant. ‘Mijn eerste sollicitatie als 26- jarige bij consultingbureau McKinsey was snel voorbij toen ik de drie leden van de sollicitatiecommissie bij het gesprek aantrof in drie dezelfde stoffige pakken. Eén van hen vroeg of ik Jan-Jaap Heij was, waarop ik antwoordde: ‘Ja, en jullie zijn zeker Kwik, Kwek en Kwak’? Dat viel niet in goede aarde. Drie minuten later stond ik weer buiten.’

Via zijn bijbaantje bij een universiteitsblad kwam hij in 1994 terecht bij Intermediair. Heij: ‘Dat beviel wel. Toch ben ik in 2000 weggegaan. Ik was toen hoofdredacteur, maar vond dat ik veel te hard moest werken. Dat werd met 110 uur in de week echt een beetje te gek. Toen ben ik naar HP/De Tijd gegaan, maar na twee maanden kreeg ik ruzie met de directeur. Ik heb daarna een tijdje niets gedaan en ben toen gaan freelancen. Vervolgens heb ik een tijdje voor Vrij Nederland gewerkt en daarna bij Credits Media, een uitgeverij van lifestylebladen. En nu werk ik hier.’

Heij is dus een echte bladenman, die nu alweer een paar jaar in de krantenwereld doorbrengt. Toen hij net begon, had hij ontzag voor zijn nieuwe redacteuren. ‘Ze werken twee keer zo hard als hun collega’s bij week- en maandbladen,’ schreef hij in 2007. En nu, drie jaar later, stelt hij vast: ‘Het is een stuk drukker, maar ook wel leuker eigenlijk.’ Maar leuk was het niet altijd bij De Pers. De begintijd van de krant was stormachtig. Govert Schilling schreef er het boek ‘Gratis maar niet goedkoop’ over. Bondig typeerde Schilling de sfeer op de redactie: ‘Mannen. Ego’s. Conflicten. Drank. Vrouwen. Altijd hetzelfde liedje.’

Heij bevestigt dit beeld: ‘Wat in dat boekje stond, klopte wel redelijk. Wat er allemaal aan verhalen omheen was, klopte over het algemeen helemaal niet. Die verhalen behelsden vooral dat het nog steeds zo is. Het boek ging over onze beginperiode. De situatie is nu totaal anders. Een van mijn bezwaren tegen het boek is dat wat hier de laatste twee jaar is gebeurd, wordt afgeraffeld in anderhalve alinea omdat de auteur op wereldreis moest.’

Heij wordt zelf in het boek omschreven als iemand ‘die zelden het achterste van zijn tong liet zien en altijd met iedereen on speaking terms bleef’, niet vies was van een borrel en op de hoogte was van de onrust op de redactie. Een ‘onverstoorbare hoofdredacteur’ dus. ‘Ik was er niet ontevreden over’, zegt hij. En voegt eraan toe: ‘Er staan een aantal dingen niet in het boek, maar die hebben we Govert ook niet verteld.’

Zelf berichtte De Pers amper over het boek in haar kolommen. ‘Het is altijd heel lastig om artikelen over jezelf te schrijven. Daar moeten anderen maar over schrijven.’ Mark Koster, redacteur bij De Pers, schreef echter wel een stuk, waarin stond dat er ‘flink werd gefeest, gesnoven en gecopuleerd’. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Volgens Heij viel het ‘licht kinderachtige’ artikel van Koster ditmaal ‘te ver aan de verkeerde kant van de grens’. Het stuk kwam toch door de eindredactie. ‘Ja, daar heb ik wel wat stevige discussies over gehad met ze. Ze hebben er helemaal niet over nagedacht.’

Hoofdredacteur

Kennelijk ontglipt er wel eens iets aan de blik van de hoofdredacteur. ‘Er moet iemand zijn die eindverantwoordelijk is voor wat je de volgende dag uitbrengt en dat is niet te combineren met mijn functie. Het is ontzettend opslorpend om de krant van morgen te maken. Ik heb bijvoorbeeld zelf vandaag dienst en dat betekent dat je eigenlijk de hele dag daarmee bezig bent. Als je dat elke dag moet doen kom je nooit meer ergens anders aan toe.’ En dus heeft Heij de taken goed verdeeld. ‘De chefs maken de krant op dagbasis. Ik doe voornamelijk het personeelsbeleid, budget en grote langetermijnontwikkelingen. Zo ben ik nu aan het kijken hoe we de krant op de iPad gaan krijgen. De adjunct, Alain van der Horst, is primair verantwoordelijk voor het journalistieke beleid van de krant.’

Zijn eigen functie omschrijft Heij als volgt: ‘Er zijn een aantal redactionele uitgangspunten bij Dagblad De Pers en dat is dat wij op een leuke en optimistische manier verhalen vertellen over de dingen die nu in Nederland aan de hand zijn. Mijn werk is om ervoor te zorgen dat dit gebeurt met het geld dat wij door het jaar heen tot onze beschikking hebben. En wel op een zodanige manier dat we er ook nog een beetje mee scoren en dat het in ieder geval niet onmogelijk wordt gemaakt om er advertenties op te verkopen.’ De afgelopen jaren is daar wel het een en ander in veranderd. ‘Dagblad De Pers was twee jaar geleden een setje hobby’s met een nietje erdoorheen. Inmiddels is het een krant met een redelijk consistente onderwerpkeuze, presentatie, tone of voice en indeling.’

Binnen het budget blijven, is één van zijn targets. ‘Dat lukt zeker.’ Een ander streven is om de meeleesfactor, het aantal mensen dat de krant leest, op vier te houden. ‘Die was al gehaald toen het target werd afgesproken’, lacht hij. ‘Dat was dus niet zo ingewikkeld. Ik kan het hele jaar op het strand gaan zitten.’ Maar hij verwacht niet dat de meeleesfactor nog verder omhoog kan. ‘Metro en Sp!ts maken toch tamelijk eenvoudiger kranten dan wij en die zitten ook op vier. Het lijkt me ondenkbaar dat wij een hogere meeleesfactor halen dan Metro. Zij hebben veel meer een zappkrant dan wij en een veel beter distributieapparaat dat bijvoorbeeld nauwgezetter kijkt naar waar je die krant moet neerleggen.’ Het zou echter niet verkeerd zijn als die meeleesfactor toch omhooggaat. ‘Als je die tien haalt, prachtig!’

Puinruimer

Maar zo ver is het nog niet. Volgens Heij moet van het relatief beperkte aantal stukken in de krant ieder stuk raak zijn. ‘Dat is nu driekwart en dat vind ik nog niet goed genoeg. 100% is niet haalbaar, maar 90% moet zeker gaan lukken.’ Heij weet wel hoe dit beter kan: ‘Werken, werken, werken. Dingen gaan beter naarmate je ze langer doet. Het is net als met een voetbalelftal, je moet op elkaar ingespeeld raken.’

Verder vindt deze hoofdredacteur dat hij nog te veel moet optreden in het opvullen van gaten op de redactie. ‘Dat als er stukjes niet geregeld zijn, ik dat moet doen.’ Toch heeft hij sinds 2008 wel het een en ander bereikt. ‘Ik denk dat ik de enorme puinhoop die hier twee jaar geleden was, redelijk goed heb opgeruimd met de beperkte middelen die we voorheen tot onze beschikking hadden.’

Zijn jarenlange ervaring als hoofdredacteur bij andere media zal hier ongetwijfeld aan hebben bijgedragen. ‘Zo langzamerhand weet ik wat ik wel en wat ik niet kan, waarom dat is en wat daar aan te doen is, wat ik er zelf aan kan doen. Ik ben redelijk handig met budgetten en kan, laten we zeggen, op een zodanige manier met mensen omgaan dat ze in hun werk redelijk goed tot hun recht komen. Ik ben niet zo goed in het op detailniveau begeleiden van auteurs.’ Volgens Heij is vooral managementtalent belangrijk bij zijn functie. Daarnaast, benadrukt hij, moet een hoofdredacteur met geld kunnen omgaan.

Heij signaleert dat er weinig inzicht is in wat een hoofdredacteur een goede hoofdredacteur maakt. Het verbaast hem dat toevalligheid een grote rol speelt in het geheel. ‘In Nederland gaat het zo dat mensen als hoofdredacteur beginnen en dan blijkt vanzelf wel of ze blijven drijven.’ Ook de benoemingsprocedure is omgeven door onduidelijkheden. ‘Het is een ingewikkeld schimmenspel tussen redacties en uitgevers waar dan uiteindelijk een compromis uitrolt. Diegene wordt dan hoofdredacteur. Ik kan me wel voorstellen dat het nuttig zou zijn om daar wat betere begeleiding in te hebben. Maar een hoofdredacteur wordt benoemd door zijn personeel, dus het is lastig voor een uitgever om die begeleiding of training verplicht te stellen. Hoofdredacteuren hebben over het algemeen geen baas.’

Bij De Pers liggen de verhoudingen net weer iets anders. Ben Rogmans, begon in 2007 als hoofdredacteur, met Heij als adjunct naast zich. Maar inmiddels heeft eerstgenoemde de functie van uitgever op zich genomen en is Heij doorgeschoven naar de functie van hoofdredacteur. Heij is openhartig over deze positiewisseling: ‘Ben was geen goede hoofdredacteur. Hij zwalkte voortdurend van strategie en heeft ook de neiging om dingen erg persoonlijk te nemen.’ Zelf probeert hij een andere koers te varen, en hij meent dat hem dit goed afgaat. ‘Al moeten anderen dat maar beoordelen. Ik neem dingen wel minder persoonlijk dan Ben. Die kan er vreselijk mee tobben als iemand iets lelijks over hem zegt.’ Over het functioneren van Rogmans als uitgever heeft Heij geen klachten, integendeel. ‘Hij doet het uitstekend. Iedereen zit nu op zijn plek.’
Maar levert een dergelijke wisseling geen spanningen op in de onderlinge samenwerking? Heij relativeert dit door te stellen dat het juist voordelen heeft om een oud-hoofdredacteur als uitgever te hebben. ‘Hij weet redelijk goed hoe de hoofdredactie van De Pers functioneert en wat je daar wel en niet van kan verwachten.’ En toch ziet ook hij wel degelijk een keerzijde. ‘Hij bemoeit zich af en toe nog wel met het redactionele beleid. Toch werkt het, omdat we elkaar al twintig jaar heel goed kennen. Daardoor zijn dingen die anders gemakkelijk tot irritaties zouden kunnen leiden, gemakkelijk uit de wereld te helpen. Ik denk dat het in de meeste andere constructies niet werkt.’

Staatsjournalistiek?

Neem de Plasterkjournalist. Rogmans ondertekende een brief waarin stond dat dit plan ‘concurrentievervalsend’ en een ‘soort staatsjournalistiek’ was. Heij heeft een hele andere mening: ‘Iedereen die ook maar één cent steekt in kwaliteitsverbetering van De Pers is van harte welkom. Het kan mij niet schelen waar het geld vandaan komt, mits legaal! Als er voor de betrokken journalist een opdracht aan vast had gezeten, dan was het misschien een ander verhaal geworden. We bepalen namelijk graag zelf waar we over schrijven.’
Rogmans was dus tegen, Heij voor. Hoe ging het verder? ‘Ik heb tegen Ben gezegd dat ik de subsidie van zijn salaris zou aftrekken als hij het niet zou doen. Dat heb ik hem eigenlijk gewoon meegedeeld’, lacht Heij. ‘En toen heeft Ben het geregeld. Omdat wij elkaar al zo lang kennen, kunnen dit soort dingen onderling geregeld worden.’

De Plasterkjournalist in kwestie is nog niet aangenomen. Heij is als hoofdredacteur verantwoordelijk voor het personeelsbeleid. ‘We hebben net zo lang gewacht met de sollicitatiegesprekken tot iedereen die naar de Volkskrant, Trouw of AD ging, was aangenomen. Wij willen dat soort mensen niet. Wij willen geen mensen die voor de Volkskrant willen werken. Daar is niets mis mee, maar het is een ander soort organisatie en een andere soort krant dan wij zijn. Mensen die daar willen werken, passen hier niet. En mensen die hier willen werken, passen daar niet.’
Heij omschrijft zijn eigen redactie als ‘een plezierig zooitje ongeregeld. De sfeer op de redactie is redelijk open. Je krijgt erg veel vrijheid hier. Mensen moeten veel eigen ideeën hebben. Verhalen willen vertellen op een manier die elders niet gebeurt. We hebben een redactiestatuut in de zin dat iedereen het leuk moet vinden om hier te werken en dat Marcels olifantjes [red. investeerder Marcel Boekhoorn is tevens eigenaar van Ouwehands Dierenpark] ook in de krant komen.’

Journalistiek onafhankelijk is Heij ‘zeer bewust op geen enkele manier. Dat zijn regels uit de negentiende eeuw die niet van toepassing zijn op de moderne tijd, zeker niet voor gratis kranten. Omdat wij naar onze bestaansreden een tamelijk nauwe band met adverteerders hebben. We schrijven dus ook bijvoorbeeld in opdracht artikelen. Je kunt met ons praten waarover we schrijven, maar niet wat we schrijven.’
Hoe hij over de journalistenvakbond NVJ denkt? ‘In principe schiet ik iedereen van het erf die lid is van de vakbond. De NVJ is één van de organisaties in de Nederlandse journalistiek die de grootste mate van destructiviteit aan de dag heeft gelegd over de innovatiemogelijkheden en arbeidsvoorwaarden in de sector.’ Hij licht toe: ‘De NVJ is verantwoordelijk voor arbeidsvoorwaarden die dermate riant zijn dat het werkgelegenheid vernietigt. Een gemiddelde dagbladredacteur verdient ongeveer tussen de 4000 en 5000 euro bruto, dat is zeker 1000 euro meer dan hun feitelijke marktwaarde. Verder is de NVJ verantwoordelijk voor redactiestatuten die redacties te veel macht geven waardoor vernieuwing in de sector decennialang geblokkeerd is en waardoor vele bedrijven en kranten op de fles zijn gegaan. PCM heeft bijvoorbeeld veel last gehad van redactiestatuten die het onmogelijk maakten om wat dan ook te saneren binnen het bedrijf.’

Ook over het Genootschap voor Hoofdredacteuren is Heij weinig enthousiast, hoewel hij wel sinds kort lid is. ‘Ik moet alleen nog betalen.’ Toch is hij zich niet van plan aan de codes te houden, ‘als ze die zouden hebben, dan zou het me niet interesseren.’ Waarom hij dan toch lid is geworden? ‘Omdat de voorzitter zo enorm zat te zeuren. Ik denk dat ze gewoon zoveel mogelijk leden willen.’

Digitale toekomst?

Ooit noemde Heij Metro ‘de grootste innovatie in de dagbladwereld van de afgelopen vijftien jaar, internationaal’. Nu ziet hij het somber in voor deze krant. ‘Metro moet het allemaal in zijn eentje doen met een moederconcern dat eigenlijk failliet is. Dus die zullen onvermijdelijk in de problemen gaan komen. Ik denk dat ze binnen een jaar gekocht zullen worden door De Telegraaf. Dan wordt Sp!ts opgeheven, want dat bestaat alleen maar als verdediginginstrument tegen Metro. Ergens denk ik dat er in dit soort tijden in Nederland maar ruimte is voor uiteindelijk één gratis krant. En ik gok dat wij dat zullen zijn. Onze strategische inbreng is sterk.’

Maar waar is dat dan op gebaseerd? Hoe maak je een gratis krant succesvol? ‘Bidden, heel veel bidden’, lacht hij. En dan nogmaals, na diep nadenken: ‘Dat is een goede vraag. Vind je het goed als ik eerst even een sigaret ga roken?’ De nodige nicotine later, heeft Heij een antwoord gevonden. ‘Het is eigenlijk een antwoord op meerdere niveaus. Eén, door het zo lang mogelijk vol te houden. Twee, een gratis krant moet ervoor zorgen dat er andere inkomstenbronnen zijn dan advertenties om structureel te kunnen overleven. En daarbij zul je ook sneller dan betaalde kranten over moeten naar volledig digitale distributie.’

Heij is niet voor niets bezig om de krant op de iPad te krijgen. ‘De hoeveelheid geld die je moet uitgeven om je informatie bij de lezer te krijgen via het drukken van een krant is dermate groot dat je dat op termijn niet vol kunt houden. En ook niet vol moet willen houden. Onze begroting is op dit ogenblik ongeveer tien miljoen euro per jaar, waarvan tweederde opgaat aan druk en distributie. Als wij puur digitaal zouden kunnen distribueren, zijn we zeker een miljoen of vijf goedkoper uit.’

Stellig zegt hij dat er naar zijn idee over vijf jaar geen papieren kranten meer bestaan. ‘Als je nu vijf jaar terugkijkt en bedenkt hoeveel er alleen al met de komst van smartphones is veranderd in mediaconsumptie. En hoe snel dat gegaan is, welke mogelijkheden dat gebracht heeft. Het zal niet zo zijn dat er over vijf jaar totaal geen kranten meer verschijnen, maar de verschuiving die je nu hebt van papier naar digitale media zal versnellen.’

Vooralsnog wordt De Pers nog gewoon gedrukt. Dat gebeurt sinds kort bij Wegener. Heij legt uit dat hij niet direct betrokken is geweest bij deze deal, aangezien het redactionele deel er vrijwel vanaf het begin is buitengehouden. Maar de deal was wel nodig. ‘De verliezen liepen zo hoog op, dat we wel een deal moesten sluiten. Wegener heeft ons als het ware gered. Ja, het bidden heeft geholpen. Zij betalen zestien miljoen euro voor een uitgave-licentie van Dagblad De Pers. Dat betekent dat zij de krant exploiteren zoals die is. Wij bepalen de redactionele inhoud en vorm, en zij kunnen daar vervolgens mee doen wat zij willen. Zij bepalen dus de oplage, distributie en vormen van distributie. Zij doen de sales en wat ze verkopen, mogen ze houden. Ook kunnen ze onze kopij voor hun eigen uitgaven gebruiken en dat doen ze hier en daar ook al.’

‘In Rotterdam bestaat bijvoorbeeld een huis-aan-huisblad dat grotendeels met kopij van ons wordt gevuld. We zijn nu aan het onderhandelen over doorpubliceren met de regionale dagbladen. Daarnaast koopt Wegener nu een groot deel van hun kopij in bij de GPD voor zes à zeven miljoen per jaar. Als ze dat bij ons gratis kunnen krijgen, is dat nog wel interessant voor ze.’

Voor Wegener klinkt de deal gunstig. ‘Ik denk dat ze vooral om strategische redenen in ons geïnteresseerd waren. Zij hadden op dat moment net hun aandeel in het AD verkocht aan PCM en hadden daarmee een enorm bereiksgat in de Randstad. Bovendien hebben ze sterke oplageverliezen met hun regionale kranten, waarvan ze het bereik moeten compenseren en dat doen ze met ons. Dus als de Gelderlander tien procent van zijn oplage kwijtraakt, dan verhogen ze de oplage van De Pers in Arnhem en Nijmegen.’ Op termijn zal Wegener De Pers dus overnemen. ‘Het contract is dat ze over dertien jaar kunnen kopen, maar dat kan ook heel goed eerder zijn.’

Houdbaarheidsdatum

Of Heij erbij zal zijn als De Pers aan Wegener wordt verkocht, betwijfelt hij. In 2007 gaf hij aan dat hij op termijn ofwel een tijdschriftenuitgeverij zou willen beginnen ofwel zijn dagen zou willen slijten op een tropisch eiland. Bovendien wil hij niet eeuwig bij de krant blijven. ‘Iedere hoofdredacteur heeft een houdbaarheidsdatum. Het is nooit helemaal duidelijk wanneer die verstreken is, maar die verstrijkt op een gegeven moment.’ En dan? ‘Met een tijdschriftenuitgeverij is niets meer te verdienen. Daar zal ik niet meer aan beginnen.’ Lachend: ‘Het zal dus wel een tropisch eiland worden!’

Geplaatst in Journalistiek | 1 reactie

‘Iets gezelligs in de brievenbus’

Postcrossing was en is nog steeds een heel fenomeen. Kaartjes opsturen naar onbekenden en ook kaarten terugkrijgen. Voor mijn stage bij De Gelderlander schreef ik er een artikel over.

—–

‘Iets gezelligs in de brievenbus’
(12 november 2010)

door Nicole Cordewener

NIJMEGEN – ‘Als je thuiskomt na een rotdag en er ligt zo’n kaartje tussen de rekeningen, is alles meteen weer goed.’ Toen de Nijmeegse Diana Verkade (32) in een artikel deze uitspraak over Postcrossing las, wist ze meteen dat ze dit ook wilde. “Gewoon iets gezelligs in de brievenbus.”

Postcrossing is een site waar iedereen op de wereld zich kan aanmelden en een profiel kan aanmaken. Vervolgens krijg je een willekeurige postcrosser toegewezen en die stuur je dan een ansichtkaart met bijbehorende code. Daarmee kan de ontvanger de kaart registreren op de site. Voor iedere kaart die je verstuurt, valt er ook eentje op je eigen deurmat.

Het concept wordt steeds populairder in ons land; momenteel zijn er al bijna 440.000 kaarten verstuurd door ruim 12.000 Postcrossers.
“Wat het zo zo leuk maakt, is het vrijblijvende. Voor één keer iets voor een vreemde doen: een mooie kaart, aparte postzegels en een leuk verhaaltje erop en, hup, op de bus.”

Iedere postcrosser kan zijn kaartwensen kenbaar maken op zijn profiel. Zo ontvangt Diana graag kaarten van lokale flora en fauna. Ze heeft bos- en natuurbeheer gestudeerd en wil graag zien wat er elders op de wereld rondloopt. “Soms vragen mensen in hun profiel om zulke specifieke afbeeldingen dat het een sport wordt om er een te vinden. Je staat ervan versteld hoe moeilijk het is om een leuke kaart met tulpen te vinden. Gelukkig willen ook veel mensen gewoon een kaart van je woonplaats. Zo voel ik me een beetje een ambassadeur van Nijmegen.”

Fanatieke Postcrossers scannen hun kaarten in. Andere Postcrossers kunnen zeggen wat ze vinden van de ansicht. Diana merkt dat met name kaarten van Jip en Janneke en Dick Bruna in het buitenland erg in de smaak vallen. “Eentje die voor mij bijzonder is, is gekocht in het Amerikaanse Dollywood. Ik moet er om lachen als ik de kaart zie. Lekker kitscherig met Dolly Parton.”

In ruim een jaar tijd heeft Diana ongeveer 325 kaarten ontvangen en er zo’n 340 verstuurd. De mooiste en de leukste exemplaren plakt ze met magneetjes op de zijkant van de koelkast. Vanaf de bank heeft de Nijmeegse dan een mooi zicht op haar ‘papieren juweeltjes’.
“De mindere, of die van hun plaats op de koelkast verjaagd zijn, bewaar ik op volgorde van land in kaartenbakjes met tabbladen. Ook heb ik een bak vol met nieuwe kaarten; ik kan het vaak niet laten om ze te kopen voor een latere verzending. Mijn man wordt er gek van, want een kaartenrek zomaar voorbij lopen? Dat gaat echt niet.”

http://www.postcrossing.com

Geplaatst in Journalistiek | Een reactie plaatsen

Van duister krot tot huis met lichtknop

Dit interview schreef ik tijdens mijn stage voor de bijlage van De Gelderlander. Een bijzonder verhaal.

—-

Van duister krot tot huis met lichtknop (6 november 2010)

Je eten bij elkaar zoeken tussen uitwerpselen op de grootste vuilnisbelt van Kenia. Er was een tijd dat Joshua Miago niet beter wist. Nu schuift hij aan in het universiteitsrestaurant en wil hij een vaccin tegen malaria maken.

door Nicole Cordewener

 ’In een sloppenwijk is de dood nooit ver weg. Je kunt opstaan, de deur uitlopen en bijna op een foetus stappen. Dat stelt niets voor. Als je een schot hoort, dan weet je dat de kogel iemand heeft geraakt. Je kijkt niet meer op als je ‘s nachts een vrouw hoort schreeuwen omdat ze geslagen wordt. Je hebt geen dromen meer, geen hoop. Die heb je niet als je steeds honger hebt en in armoede leeft.

Ik heb niet altijd in een sloppenwijk gewoond. Eerst woonde ik met mijn ouders, broertjes en zusjes in een huis in de wijk Kariobangi South. Tussen mijn vader en moeder waren er al langer spanningen. Op een dag kwam mijn vader thuis en hij pakte al onze spullen, wat meubels, keukengerei en kleding, op een handkar. Hij nam ons toen mee naar een huis vlakbij de gigantische vuilnisbelt Dandora. Daar liet hij ons achter. Ik was toen zeven.

Een paar uur later kwam mijn moeder. Ik weet nog steeds niet hoe ze ons gevonden heeft. Waarschijnlijk heeft mijn vader haar verteld waar we waren. Uiteindelijk hebben we twee jaar in dat huis gewoond. Een huis kun je het eigenlijk niet noemen, het was meer een kamer van tien vierkante meter. De muren waren ijzeren platen. Het dak bestond uit versleten lakens waar de regen doorheen kwam.

Hij liet ons uitgerekend in april achter, tijdens het regenseizoen. Alles werd nat. We hadden een eenpersoonsbed, maar zelfs dat konden we niet gebruiken. Je moest je best doen om een droog hoekje te vinden. Maar met vijf kinderen en mijn moeder in die kleine ruimte was dat niet makkelijk.

Er was geen geld om naar school te gaan. Het beetje geld dat mijn moeder verdiende door kleding te wassen bij rijke mensen, gebruikten we om drie kilometer verderop water te kunnen kopen en de huur te betalen. Hele dagen brachten we door op de vuilnisbelt, een van de grootste van Afrika. Daar zochten we naar eten. Het was ieder voor zich. Als we niets te eten konden vinden, verzamelden we plastic of papier. Dat verkochten we dan weer voor een paar shilling. Maar omdat ik toen nog klein was, werd ik vaak bestolen door oudere en grotere jongens. Heel frustrerend. Als dat aan het einde van de dag gebeurde moest ik met honger naar bed.

Toen ik acht was, werd ik door de christelijke hulporganisatie Compassion ingeschreven in hun sponsorprogramma. Beth uit Amerika betaalde iedere maand een bedrag waardoor ik naar school kon gaan, eten en medische hulp kreeg. Hoewel die hulp voor mij was bedoeld, kon mijn familie er ook van profiteren. In Kenia betaal je namelijk schoolgeld voor een heel gezin. Dus mijn broertjes en zusjes kregen ook weer les.

Dat is heel belangrijk denk ik. Wie de hele dag thuis zit en niets met zijn leven doet, heeft grote kans om in een bende terecht te komen. Mijn schoolvrienden zijn ook het criminele pad op gegaan. Vroeger hadden we dezelfde dromen. We wilden iets groots doen, iets van ons leven maken. Maar in een sloppenwijk is dat heel moeilijk. Armoede en criminaliteit zijn aan de orde van de dag. Slechts één op de 10.000 weet uit de sloppenwijk te ontsnappen.
Bij een bende gaan is de enige manier om nog wat geld te verdienen. Armoede dwingt je om zo ver te gaan. Mensen overvallen en stelen bij de rijkeren.

Bendeleden verhandelen allerlei soorten drugs en laten jongere kinderen opdraaien voor de gevaarlijke klusjes. Ik heb zevenjarigen gezien die precies wisten welke drugs er allemaal waren en nog erger, zelf al verslaafd waren. Op die manier proberen ze loopjongens aan zich te binden.

Soms hebben kinderen op veertienjarige leeftijd al wapens bij zich. In Kenia is dat heel gevaarlijk. Omdat er zoveel corruptie en criminaliteit is, kan de politie nooit voldoende optreden. Maar als ze je betrappen met een vuurwapen, zullen ze zonder pardon gaan schieten. Dat zou ook mijn lot zijn geweest als ik bij een gang was gegaan.

Een goede vriend van me was vijftien toen hij op klaarlichte dag een winkel overviel. Door stomme pech kwam hij buiten de politie tegen. Toen ik het schot hoorde rende ik er naartoe. Dat doe je, want in een sloppenwijk kent iedereen elkaar. Het is één grote familie. Ik schrok toen ik hem in zijn eigen bloed zag liggen. Dood.

Zelf ben ik blij dat ik nooit bij een bende heb gezeten of iets dergelijks heb gedaan. Ik zou daar nooit tijd voor hebben gehad. Dat zou mijn moeder ook nooit toegestaan hebben. Ik moest doordeweeks naar school en in het weekend naar de kerk.

Ons leven werd iets beter toen we verder van de vuilnisbelt gingen wonen. Ongezond was het al, maar hoe dichter bij die stortplaats, hoe gevaarlijker. En dat vond mijn moeder niet verstandig voor mijn twee oudere zussen. Met hulp van vrienden bouwde ze een nieuw huis. De vloer bestond uit zand en als het regende veranderde die in een moederpoel. Maar mijn moeder deed wat ze kon.

School was voor mij een manier om aan dit alles te ontsnappen. Je moet begrijpen dat er in een sloppenwijk maar weinig dingen zijn waar je echt plezier aan kunt beleven. Voetballen bijvoorbeeld. Van plastic tassen en touwtjes maakten we onze eigen bal. Die ging dan twee of drie weken mee. Fietsen waren schaars in de sloppenwijk. Wie er eentje had, verhuurde ‘m. Dan mocht je voor een shilling een rondje maken. Zo heb ik leren fietsen, maar duur was het wel.

Toen ik dan uiteindelijk kon studeren dankzij het universiteitsprogramma van Compassion, veranderde mijn leven voor de eerste keer. Ik ging samen met andere studenten van dat programma vlak buiten de campus wonen. We kregen toen wat zakgeld. Een onwerkelijk gevoel om eindelijk geld te hebben waar ik mee kon doen wat ik zelf wilde. Ik kreeg een computer met internet. Voor die tijd wist ik niet eens wat een computer was. En ik heb voor het eerst een film gezien.

Ik vond het bijzonder om elektriciteit te hebben. Het is alsof je altijd in het donker hebt geleefd. In Kenia gaat de zon vroeg onder en in de sloppenwijken is er geen elektriciteit. Maar opeens is er dan licht en kun je alles zien. Je hebt het gevoel dat je zelf de controle hebt over je leven. Je kunt groter dromen dan ooit tevoren.

Dat deed ik ook. Ik wilde verder studeren. Mijn broertje Wilson overleed, omdat de dokters niet op tijd hadden gezien dat hij een aangeboren hartafwijking had. Zoiets wil ik andere mensen besparen. Ik heb met eigen ogen gezien hoe zwaar het is voor een familie om een kind te verliezen. Malaria is een ontzettend groot probleem in Kenia, maar er wordt nog veel te weinig onderzoek naar gedaan. Zelf heb ik het ook verschillende malen gehad, maar via Compassion kreeg ik steeds voldoende medicijnen. Niet iedereen heeft daar geld voor. Daarom wil ik een betaalbaar vaccin ontwikkelen. Dat is mijn droom.

In Nijmegen zijn ze al heel ver op dit gebied. Dus toen ik het masterprogramma zag, wist ik dat ik hier naartoe moest. Het moeilijkste was een paspoort aanvragen. Mijn geboortecertificaat was kwijt. Vier weken lang stond ik dagelijks van vroeg tot laat in overheidskantoren. Mijn paspoort kostte me uiteindelijk 10.000 shilling. En dat terwijl het gratis hoort te zijn.

Daarna was het ook nog even spannend, want mijn aanmelding was kwijtgeraakt door de universiteit in Nijmegen met als resultaat dat ik misschien maar een halve studiebeurs zou krijgen. Op 23 maart, dat weet ik nog heel goed, zag ik dat ik toegelaten was én een volledige beurs zou krijgen. Ik sprong op en begon te gillen. De buren wisten niet wat er gebeurde. Dat was werkelijk het beste moment van mijn leven.

Van een land als Kenia naar Nederland komen is een cultuurschok die ik niet kan omschrijven. Daar zijn simpelweg geen woorden voor. Alsof ik van de ene op de andere planeet ben neergezet. Ik reisde voor het eerst met een vliegtuig, heb op een roltrap gestaan. Er zijn lantaarnpalen en op de universiteit hebben ze vloerbedekking. Wonen in een stenen huis, met elektriciteit, water en riolering. Er komt zelfs warm water uit de kraan! Het was allemaal nieuw voor mij.

Weet je, ik had een potje schoensmeer in mijn koffer gestopt. In Kenia zijn de wegen namelijk niet verhard. Na een dag zijn je schoenen dan ook heel stoffig. Hier heb ik dat potje nog niet nodig gehad. Ik ben voor het eerst naar de bioscoop geweest. Een groot scherm en het geluid, je geniet hier meer van de film.

Ik zou willen dat mijn familie ook van al deze dingen zou kunnen genieten. Gelukkig hebben ze het dankzij Compassion allemaal beter gekregen. Ze werken alle drie. Mijn broer Harrison is dierenarts en mijn zus Grace gaat psychologie studeren. Ze hebben hun eigen gezinnen en wonen niet meer in de sloppenwijk. Alleen mijn moeder zit er nog steeds. Ze wil niet weg. Terwijl wij nu voor haar kunnen zorgen.

Als ik klaar ben met mijn studie wil ik terug naar mijn moeder, naar Kenia. Ik ben daar harder nodig. Maar de kennis om malaria te bestrijden moet ik hier opdoen. Ze hebben hier de faciliteiten, ik kan een netwerk opbouwen. Ik wil een excellente wetenschapper worden, deze kans in Nijmegen kan misschien wel levens redden.’

Geplaatst in Journalistiek | Tags: | Een reactie plaatsen

De Leliaards en de Klauwaards in de Guldensporenslag

Dit artikel was een dossieropdracht voor het vak Vlaamse letterkunde. Ik weet niet eens meer wat de precieze opdracht was, maar ik denk dat het erom ging om de tegenstellingen tussen Fransen en Vlamingen te laten zien in de Guldensporenslag (versie Hendrik Conscience).

—-

De Guldensporenslag in 1302, de val van Antwerpen in 1585 en de onafhankelijkheid van België in 1830. Het zijn stuk voor stuk momenten die voor een historicus een belangrijk punt in de Belgische geschiedenis markeren. Wanneer een literatuurwetenschapper hetzelfde zou doen en boeken zou moeten noemen die een impact hebben gehad op het Belgische volk, dan zou hij zonder twijfel De leeuw van Vlaanderen (1838) noemen van Hendrik Conscience (1812-1883). Deze historische roman verhaalt over de zeer geromantiseerde strijd van de Franse adel en Vlaamse aristocraten tegen de Vlaamse boeren en ambachtslieden in een gigantisch gevecht dat vlak buiten Kortrijk plaatsvond. ‘Conscience gebruikte het middeleeuwse thema om de Vlaming van het in 1830 onafhankelijk geworden België te emanciperen, door zich te verzetten tegen de suprematie van hun Franse landgenoten, de Walen.’ Met De leeuw van Vlaanderen wilde Conscience dus een zelfbewustzijn kweken bij de Vlamingen. Het ‘verfransingsproces’ dat in 1830 van start ging, was niet iets waar de Vlamingen zich zomaar bij neer moesten leggen. Net als in 1302 moeten ze opstaan tegen de Franse overheersing, al ging het in 1838 dan om de Walen en niet de Fransen zelf. Toch zou het nog tot 1898 duren tot België officieel tweetalig werd.

Om de verdeeldheid tussen het Franse volk en leger tegenover het Vlaamse volk en leger te laten zien, maakt Conscience gebruik van twee tegenstellingen. In dit essay zal ik laten zien welk beeld Conscience geeft van het Vlaamse volk, onderverdeeld in Leliaards en Klauwaards en het Franse tegenover het Vlaamse leger. Daarbij is het soms lastig om een onderscheid te maken tussen volk en leger. De Bruggelingen, die hun stad vrij hebben gemaakt van Fransen, zullen later ook vechten in de Guldensporenslag bijvoorbeeld.

De Leliaards en Klauwaards

Omdat de Leliaards zich hebben aangesloten bij de Fransen is het logisch dat Conscience deze groep in een kwaad daglicht zet. De schrijver wil immers laten zien hoe onderdrukt de Vlamingen waren en wat voor wrede daden de Fransen begingen. Hij vertelt hoe een Leliaard als Brakels zich aansluit bij de Fransen en hoe zijn collega-wevers hem zien. Als Brakels het in een vergadering op lijkt te nemen voor de wethouders (en dus de Leliaards), wordt hij ontmaskerd, uit de groep gegooid en weggestuurd. Conscience laat zien hoe hij zich tegen de Vlamingen keert. Zo was het dankzij Brakels dat de Franse soldeniers in het huis van Maria van Nieuwland konden binnenkomen. Later probeert hij, verkleed als zanger, de Klauwaards te bespioneren. Het wordt zijn dood.

Toch probeert Conscience nog enigszins een verklaring te geven voor het gedrag van de Leliaards als hij uitlegt wie de twee groepen zijn. Hij schrijft: ‘De meesten edelen en bewindhebbers hadden zich in alle gelegenheden voor het Frans Bestuur verklaard, en kregen daarom de naam Leliaards, als zijnde het leliewapen van Frankrijk toegedaan.’ De schrijver legt vervolgens uit dat de meeste edelheren verarmd waren. Daarom moesten zij hun rechten op steden en heerlijkheden verkopen aan burgers en ze meer vrijheid en privileges geven. De ambachten en burgers bloeiden op en stelden dekens aan. De welvaart werd steeds groter en de edelen wilden hun macht terug. De steden hadden nu echter genoeg geld voor een eigen leger. Daarom sloten de edelen zich aan bij Philippe le Bel, in de hoop dat hij de gemeenten omver zou werpen en de edelen hun rechten terug zouden krijgen. Zij waren dan ook blij met de ‘gijzeling’ van de graaf en zijn trouwe edelen.

Het volk was echter dol op graaf Gwyde en vernam zijn gevangenneming met grote verslagenheid. Dit waren de Klauwaards, naar de klauw van de Leeuw van Vlaanderen. Zij zagen het liefst een onafhankelijk land. Het is dan ook geen wonder dat de Vlaamse bevolking koning Philippe le Bel en koningin Johanna van Navarra nogal koeltjes ontving. ‘Al de Burgers bleven beweegloos staan, zonder een bewijs van eerbied of vreugde te geven.’ Alleen de Leliaards juichten voor het paar. Om de burgers te straffen wordt er een zware belasting geheven. Als de wevers hierover bijeenkomen, spreekt hun deken (leider) Deconinck over ‘het eerste stuk van het slavenjuk dat men ons op de nek wil drukken.’

De Vlaamse burgers hebben het inderdaad niet gemakkelijk met de Franse overheersing. ‘De ambachtslieden zagen met smart en innige wraaklust op de ondergang hunner welvaart; doch de maatregelen, die de Fransen genomen hadden, waren voor alsdan streng genoeg om hun woede in te houden.’ Toch barst uiteindelijk de bom als de Fransen de stad Brugge innemen. ‘Alhoewel het nog duister nacht was, kon men echter aan de duizenden stemmen, die zich bruisend mengden, wel herkennen dat een ontelbaar gevaarte stad ontvlood.’ Als de vijand verslagen is, keren de bewoners terug naar hun stad. Hun vreugde is groot en een kreet als ‘Heil! Heil de blauwe Leeuw’ is op straat te horen. Er wordt feest gevierd en wijn uitgedeeld. Ook als de Bruggelingen op weg gaan om Kortrijk te hulp te schieten, worden ze als broeders ontvangen. De Kortrijkers deelden hun eten rijkelijk en hielpen afgematte vrouwen en kinderen. Kortom: het Vlaamse volk is een met elkaar. Het probeert op allerlei manieren de Fransen tegen te werken, soms subtiel door het verbergen van levensmiddelen en soms heel direct. Denk maar aan de kleine Breydel die zijn moeder en zuster wil verdedigen tegenover Franse soldeniers.

Het Franse volk?

Omdat het verhaal zich grotendeels in Vlaanderen afspeelt, wordt er maar weinig verteld over het Franse volk. Pas als duidelijk wordt dat 7000 Fransen zijn omgekomen en er een oproep wordt gedaan op de leenmannen om deze schande te wreken, besluiten uit allerlei delen van Frankrijk leenheren met gewapende laten zich te melden voor krijgsdienst.

Het dappere Vlaamse leger

Het Franse leger is edel, dapper en bereid om te vechten en te sterven uit liefde voor het Vaderland. De vijand is de Franse overheerser. Vechten is voor Jan Breydel, de aanvoerder van de beenhouwers of maeceliers, geen probleem. Hij verheugt zich juist op de strijd. Breydel staat centraal voor de heldenmoed en kracht. Hij laat zich bijvoorbeeld uitdagen door een Franse soldenier, weet deze te verslaan en ontsnapt ook nog eens als hij om deze daad gevangen wordt genomen. De deken van de wevers, Deconinck is sluw en berekenend. Hij geeft de stad Brugge over, maar wel onder bepaalde voorwaarden. Beide geven alles en willen zelfs hun leven geven voor Vlaanderen, hun land. En daarin staan zij niet alleen. Dat het Vlaamse volk ontembaar is, wordt ook landvoogd De Chantillon pijnlijk duidelijk. ‘[I]n sommige plaatsen, als in Brugge, werden de dienaren van Koning Philippe le Bel zowel bedektelijk als bij klare dag om hals gebracht.’

Als de Bruggelingen naar Kortrijk vertrekken, juichen zij en roepen ze strijdleuzen. ‘En dan bewogen en wrongen zij hun wapens alsof de vijand reeds voor hen geweest ware.’ Het lijkt erop dat ze moedig en bereid tot vechten zijn. Later spreken ook Gwyde en Jan Borluut hierover: ‘onze mannen zijn van al te goede wil’. Meer edelen bleven trouw aan graaf Gwyde dan te zijn overgelopen naar de vijand. In hoofdstuk 21 wordt uitgebreid besproken welke steden en edelen naar Kortrijk kwamen om te strijden tegen de Fransen.

Edelmoedig of niet?

Er wordt gesuggereerd dat de Vlamingen ‘echte’ en edelmoedige ridders zijn. Conscience beschrijft hoe een zwarte ridder, Robrecht van Bethune, ziet dat een jonkvrouw tegen haar wil door Fransen wordt vastgehouden. Hij verklaart zich haar kamper en redt haar uit de handen van zes Franse ruiters. Hij wordt niet voor niets de Leeuw van Vlaanderen genoemd. Als hij bij de slag bij Kortrijk opduikt in harnas en al, wordt hij de Gulden Ridder genoemd en gezien als Sint Joris. Zijn strijdlust krijgt mythische proporties. En tijdens het gevecht brengt Jan Borluut een dappere Fransman in veiligheid.

Toch zijn de Vlamingen niet altijd edelmoedig en dapper. Zo vermoorden ze vele Fransen in de vroege ochtend, terwijl deze nog in bed liggen. En ook tonen ze geen genade, omdat de Fransen ook geen genade hebben getoond. De vijand achtervolgen ze wel, maar alleen als deze al verslagen blijkt te zijn. En wreed zijn ze ook tegen verraders, zoals Jan Brakel die door het leger op gruwelijke wijze wordt vermoord. Nietsontziend zijn ze tegen andere verraders, zelfs als zij berouw tonen.

De wreedheid van het Franse leger

De haat van het Vlaamse volk en leger (met uitzondering van de Leliaards) is gericht tegen het Franse leger. Dit Franse leger is ontzettend wreed, zo benadrukt Conscience in zijn roman. Na de overgave van Brugge werd De Mortenay stadsvoogd en zijn soldaten plaagden de burgers en begingen allerlei misdrijven. Later zou het nog erger worden en zouden zij de Klauwaards als slaven mishandelen. ‘[Z]ij ontroofden vrijelijk alles wat hun beliefde, haalden de waren met geweld uit de winkels, en betaalden dezelve met scheldwoorden en lasteringen.’ De Vlamingen lieten het hier niet bij zitten en verborgen hun levensmiddelen. Vervolgens worden veertig Klauwaards opgehangen. Later, als het Franse leger bij Rijssel ligt gekwartierd, zullen ze het land plunderen, roven en vernielen.

De Fransen zijn ook wreed als ze met elkaar over de Vlamingen spreken. Zo zegt een soldenier: ‘De Klauwaards beginnen weder te morren en te muiten; dit is voor ons een goed teken, want na het onweder vallen de vrouwen immers in onze buit?’ Later proberen ze de zuster van Jan Breydel te schaken en vermoorden ze zijn moeder. De oude vrouw weet nog net haar dochter te doden met een mes. Ze zag nog liever haar dochter dood dan onteerd door de Fransen. Haar (zelf)opoffering en eerbehoud is een schril contrast met de wrede praktijken van de vijand.

Dat het Franse leger zo is, mag geen wonder heten. Hun koningin Johanna van Navarra is onberekenbaar en wreed. Zij laat graaf Gwyde en zijn edelen oppakken, net zoals ze eerder al Gwyde’s dochter Philippa gevangen heeft genomen. Zij heeft Philippa laten ombrengen. Bovendien sprak Johanna de wraakzuchtige woorden: ‘[D]at men de borsten van al de Vlaamse zeugen afsnijden en al haar biggen met het zwaart doorspeten zou, en dat men de honden van Vlaanderen zou doodslaan; de honden van Vlaanderen waren de dappere mannen, die met het staal in de vuist voor het Vaderland strijden zouden.’ Conscience omschrijft deze woorden, nog wel gesproken door een vrouw, als schandelijk.

Toch zijn niet alle Fransen slecht. Charles de Valois wil dat graaf Gwyde gaat praten met koning Philippe le Bel en geeft hem een vrijgeleide. En Philippe le Bel was een edelmoedig vorst en een goede ridder. ‘Nu vormde hij de innigste wensen voor de welvaart van Vlaanderen; maar wat kon het baten, mits Johanna van Navarra er reeds anders over beschikt had?’ Ook de gevangenbewaarder van Robrecht van Bethune is hem goedgezind: ‘De Kastelein van Bourges wil hem op zijn erewoord, voor enige tijd in vrijheid stellen; maar een trouwe en liefderijke onderdaad, moet zich in zijn plaats laten kerkeren.’ Maar alle goede karakters zijn gebonden: De Valois aan het vorstelijk paar, Philippe le Bel aan zijn vrouw en de kastelein aan het Franse leger.

Tijdens de strijd bij Kortrijk vechten de Fransen dapper, maar toch net iets minder dapper en goed dan de Vlamingen. Opvallend, want de Fransen zijn met 62.000 man in de meerderheid. Conscience zet het leger van de vijand in een wat sukkelig daglicht met acties als deze: ‘De Franse ruiters konen zich in de modderige grond niet staande houden; zij vielen de ene over de andere, en doodden elkander in de val.’ Guy de St.-Pol probeert tijdens het gevecht te vluchten. De laffe ridder wordt echter ingehaald door de Vlamingen.

Tot slot

Het moge duidelijk zijn dat Conscience zijn helden, de Vlamingen, zo positief mogelijk heeft willen weergeven en de vijand vooral neerzet als een wrede onderdrukker. Zoals Jos Martens schreef: ‘De ‘goeden’ zijn zo verschrikkelijk nobel en de ‘slechten’ zo zwart als bij een Abel spel.’ Vermeylen omschrijft het als volgt: ‘Wat de auteur blijkbaar voor alles wilde uitbeelden, waren de beslissende fasen van de heroïsche vrijheidsstrijd van een volk, tot op zekere hoogte verlevendigd en gepersonaliseerd door het optreden van enkele, overwegend historische figuren; de eigenlijke held van zijn boek is derhalve veeleer het Vlaamse volk zelf’. Martens sluit zijn betoog af met een interessante opmerking over de impact van het boek. ‘Er is veel kans dat wij zonder de Leeuw nu met zijn allen Frans spraken met een zwaar accent, net zoals de Ieren Engels.’

Geplaatst in Literair | Een reactie plaatsen

Lemma: W.F. Hermans – De donkere kamer van Damokles

De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans (1921-1995) verscheen in 1958 met een oplage van 2.000 exemplaren. De roman werd vrijwel unaniem positief ontvangen. Het verhaal draait om Henri Osewoudt die tijdens de Tweede Wereldoorlog opdrachten uitvoert die hij krijgt van zijn dubbelganger Dorbeck. Osewoudt denkt dat hij een held in het verzet is, maar wordt na de oorlog beschuldigd van collaboratie. Dorbeck alleen kan zijn onschuld bewijzen, maar deze lijkt spoorloos verdwenen. In 1962 verscheen de boekverfilming onder de titel Als twee druppels water. Hermans was een perfectionist en hij heeft zijn verhaal in de loop der jaren dan ook regelmatig herzien. In 2004 verschijnt de 41e druk.

De donkere kamer van Damokles is niet de enige roman van Hermans waarin De Tweede Wereldoorlog een rol speelt. In 1952 schreef hij al Het behouden huis. Zes jaar later verscheen De donkere kamer van Damokles, een verhaal dat draait om Henri Osewoudt. Als hij nog een kind is, vermoordt zijn moeder zijn vader. De kleine Henri gaat bij familie wonen en krijgt een relatie met nicht Ria. Op achttienjarige leeftijd komt zijn moeder vrij. Osewoudt besluit met Ria te trouwen, zijn moeder in te huis nemen en de sigarenwinkel van zijn ouders voort te zetten. Wanneer de oorlog is begonnen, bezoekt Dorbeck de winkel en beide mannen blijken ontzettend op elkaar te lijken. Osewoudt krijgt opdrachten van Dorbeck, zoals een moord in de Houtstraat. Als Ria en zijn moeder worden opgepakt, weet Osewoudt zelf nog net te ontsnappen. Dan begint zijn zwerftocht. Hij wordt verliefd op de Joodse Marianne Sondaar en zij raakt zwanger. Osewoudt wordt echter opgepakt door de Duitsers. De eerste keer weet hij te ontsnappen, de tweede keer zit hij maanden in de cel. Als hij uiteindelijk vrijkomt en naar het bevrijde gebied ontsnapt, wordt hij opgepakt. Osewoudt zou met de Duitsers hebben gecollaboreerd. De enige die zijn onschuld kan bewijzen is Dorbeck, maar die blijkt spoorloos verdwenen. Dit misverstand is het centrale thema van de roman: wat is waar? Heeft Dorbeck nu bestaan of niet? Deze vraag houdt literatuurwetenschappers al decennialang bezig.

Wilbert Smulders vat in zijn proefschrift kort samen dat de meningen over deze roman uiteenlopen. De een stelt dat Dorbeck niet bestaat en dat Osewoudt slachtoffer is geworden van zijn eigen waanvoorstellingen. Hij heeft nooit Dorbeck ontmoet, maar Evert Jagtman. Anderen geloven weer dat Dorbeck wel bestaat, maar dat hij juist de dubbelspion is. Hij gebruikt Osewoudt om de schuld op hem af te schuiven. Neerlandicus Frans A. Janssen, literatuurwetenschapper Jaap Oversteegen en letterkundige Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira menen tot slot dat ‘de kern van De donkere kamer er nu juist uit bestaat dat niet uit te maakten valt wie of wat Dorbeck is’.

Opvallend in de hele discussie is naar mijn mening echter een uitspraak van NSB’er Evert Turlings, een buurman van Osewoudt:
‘- Ik heb je zien knokken met een vent in de Houtstraat!
- Ik heb niet geknokt in de Houtstraat, ik ben er niet geweest. [
[..]
- Je hebt je verkleed. Je had een grijs pak aan met een lange broek.
- Maar ik ben hier al een half uur!’

Het was, afgaande op wat in de roman verteld wordt, onmogelijk voor Osewoudt om in zo’n korte tijd zich nog te verkleden. Turlings moet dus Dorbeck gezien hebben, al dacht hij dat het Osewoudt was. Dat is ook wat Hermans probeerde na te streven, zo blijkt uit een briefwisseling. Hermans wil laten zien dat de dubbelganger echt bestaat, maar doet zijn best om de lezer tegelijkertijd te verwarren.

Na de oorlog probeert Osewoudt op allerlei manieren aan te tonen dat zijn dubbelganger echt bestaan heeft. Zo is er een foto waar ze beiden op zouden staan, maar helaas, deze is mislukt. René Marres, universitair docent moderne Nederlandse letterkunde, probeert dit te verklaren. Zo had Dorbeck gewaarschuwd dat het te donker was en was de camera mogelijk beschadigd door de steekvlam van een bundeltje lucifers. Hermans heeft in een vraaggesprek (met Jessurun d’Oliveira) nog toegevoegd dat het spoeltje losgeraakt kan zijn. Opnieuw probeert de schrijver de lezer in verwarring te brengen: bestaat Dorbeck wel of niet?

Een andere veelvoorkomend discussiepunt is hoe het boek te lezen is en welke niveaus voorkomen. Literatuurwetenschapper Ton Anbeek onderscheidt allereerst het oorlogsverhaal (de thriller), maar en het psychologische niveau waarbij de persoonlijkheid van Osewoudt centraal staat. Is hij inderdaad erfelijk belast, gezien het feit dat zijn moeder aan waanvoorstellingen leed? En dan is er het filosofische niveau: ‘de roman illustreert de these dat de mens en de wereld onkenbaar zijn. Deze lezing wordt nog versterkt door het Wittgensteincitaat dat Hermans vanaf de tiende druk aan de tekst toevoegt.’ Dit citaat (motto) is: ‘Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou kunnen willen zeggen: ‘Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.’ – Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem niet vindt, en ook als hij helemaal niet bestaat.’ Hiermee wil Hermans zeggen dat taal niet toereikend is om de werkelijkheid te beschrijven.

Aan de genoemde niveaus wil ik het niveau van de tragische liefdesgeschiedenis tussen Osewoudt en Marianne toevoegen. Osewoudt raakt zijn moeder kwijt, begint een verhouding met zijn lelijke nicht Ria en trouwt uiteindelijk met haar, heeft geen succes bij andere meiden en zijn eigen vrouw gaat nog vreemd ook. Maar de mooie Joodse studente medicijnen, Marianne Sondaar, blijkt op Osewoudt te vallen. Na enkele korte momenten samen wordt zij zwanger. Osewoudt zit in de gevangenis, toch schrijven ze elkaar. En als Osewoudt de kans krijgt bij de Duitsers doet hij er alles aan om haar te beschermen. Wanneer hij vrijkomt zoekt hij haar op in het ziekenhuis. Toch raken ze elkaar kwijt als Osewoudt gevangen wordt genomen. Marianne verhuist naar een kibboets in Israël. Vrouwen spelen een belangrijke rol in het leven van Osewoudt, dat blijkt wel uit het feit dat hij haar meteen opzoekt wanneer hij vrijkomt. De politie meent verder: ‘Als O. gefaald heeft, is het geweest uit liefde voor zijn vriendin Mirjam Zettenbaum. Hij heeft Dorbeck en Moorlag uitgeleverd aan de Duitsers om haar te redden.’ Of dit de juiste interpretatie van de werkelijkheid is, valt nog te bezien. Wel kan De donkere kamer van Damokles niet alleen gelezen worden als een thriller of een filosofische of psychologische roman, maar ook als een tragische liefdesgeschiedenis.

Geplaatst in Literair | Een reactie plaatsen

Lemma: Anna Blaman – Eenzaam avontuur

Dit artikel is een opdracht geweest voor het college Actuele Discussies in de moderne Neerlandistiek. Doel was een lemma te schrijven voor een literatuurgeschiedenis met daarin belangrijke informatie over het literaire werk én een nieuwe invalshoek. Hieronder het resultaat voor Anna Blamans Eenzaam avontuur.
—–

Anna Blaman is het pseudoniem van Johanna Petronella Vrugt (1905-1960). Blaman staat voor Ben Liever Als MAN. Deze docente Frans debuteerde in 1941 met de roman Vrouw en vriend. Andere bekende boeken zijn Op leven en dood (1954) en Eenzaam avontuur (1948). Erotiek is een veelvoorkomend thema in haar werk. De ophef rond Eenzaam avontuur leidde in 1949 tot een Boekentribunaal waar Blaman uiteindelijk werd vrijgesproken. In 1957 won ze de P.C. Hooftprijs voor haar oeuvre. In 2010 werd de vijftigste sterfdag van de schrijfster herdacht met het Anna Blamanjaar. Er kwam een monument in Rotterdam en een speciale uitgave van Eenzaam avontuur bij Meulenhoff (veertigste druk).

‘Het is een van de eerste Nederlandse boeken waarin de lesbische liefde en erotiek op zinnelijke wijze beschreven is.’ Dat is wat uitgever Meulenhoff in 2010 zegt over Eenzaam avontuur bij de veertigste druk van het boek. Lesbische liefde en erotiek zijn terugkerende thema’s in de romans van Anna Blaman. Tijdens de kweekschool, van 1920 tot en met 1926, ontdekte de schrijfster haar ‘homoseksuele aanleg’. Zij werd verliefd op een voordrachtskunstenares die ze als Sara Obreen in haar debuut Vrouw en vriend (1941) zou portretteren. In 1936 ontmoette Blaman haar grote liefde. Deze vrouw, ‘zuster B.’, was verpleegkundige in het ziekenhuis waar de schrijfster werd opgenomen vanwege een nierziekte. In de hongerwinter van 1944 kregen de twee echter ruzie. Boudier Struyker schrijft: ‘Anna Blaman had in hun vriendschap de vervulling van een door het lot voorbeschikte liefde gezien, maar haar vriendin, nuchterder van aard, vatte hun verhouding niet zo exklusief op en ging een relatie aan met een dansleraar, op wie zij verliefd was geworden. Een breuk bleek onvermijdelijk.’

In 1948 brengt Blaman Eenzaam avontuur uit. Hierin staat de raadselachtige Alide centraal, die in het verleden relaties heeft gehad met een vrouw en een kapitein. Haar huidige huwelijk met de intellectueel Kosta lijkt perfect, maar tijdens een vakantie blijkt dat Alide een affaire had met de kapper Peps. De vier meiden in het nabijgelegen vakantiehuisje blijken hun eigen problemen te hebben. Zo voelt de muzikale Yolande wel iets voor Kosta en koestert Berthe (net als schrijfster Blaman) lesbische gevoelens. Er is nog een derde verhaallaag, namelijk die van detective King die er een bijzondere relatie met de gifmengster Juliette op na houdt. Pleij vergelijkt deze ‘verhaaldraden’ met die van De Kapellekensbaan.

Berthe omschrijft de inhoud van Eenzaam avontuur als volgt: ‘Kosta zoekte Alide, Alide zoekt de onbekende ander, en Yolande zoekt op haar beurt Kosta, en ik zoek Alide. Maar in waarheid blijf je allemaal alleen. Want wat heeft in feite Kosta met Alide en Alide met die ander, en Yolande met die Kosta, en ik met Alide uit te staan? Misschien wel niets. Je bent jezelf, je bent alleen. Zo gaat het ook de ander. Al wat gebeurt, is dat je soms iemand ontmoet die je vervult van fantasieën, geboren uit een eenzaam hongerend verlangen, meer niet.’ Vandaar ook de titel Eenzaam avontuur. Alle personages voelen zich alleen en bevinden zich in een avontuur na de vakantie en het overspel van Alide.

‘Nog voordat de roman voltooid werd, was de goede verstandhouding tussen beide vrouwen enigermate hersteld, al zou hun vriendschap zich pas in het begin van de vijftiger jaren opnieuw stabiliseren’, zo meldt Boudier Struyker over Blaman en haar grote liefde. Toch zijn er opmerkelijke parallellen te trekken tussen Blaman’s privéleven en de roman. Zo is het heel goed mogelijk dat zuster B model heeft gestaan voor Alide, die heel gelukkig lijkt te zijn met de schrijver Kosta (die net als Blaman dus schrijft!). Deze verafgoodt zijn vrouw, net zoals Blaman dacht de door het lot beschikte liefde te hebben gevonden. Niets blijkt minder waar en er is een derde persoon betrokken op wie Alide/zuster B lijkt te vallen. Toch is zij ook dan niet gelukkig. Ton Anbeek omschrijft dit als volgt: ‘Want het opmerkelijke is dat de intrigerende vrouw Alide niet gelukkig is met de intellectueel Kosta, die haar idealiseert, maar evenmin met Peps die alleen haar lusten bevredigt. Dus zou men uit het boek alleen een pleidooi kunnen afleiden voor een liefde die ziel én zinnen streelt. Of somberder: de treurigmakende boodschap dat zo’n eenheid niet bestaat.’

Het boek zou maar liefst twee jaar lang heftige reacties uitlokken. ‘Vooral in de confessionele pers, maar ook daarbuiten werd het boek op morele gronden veroordeeld.’. Blaman voelde zich vooral voor schut gezet door het boekentribunaal dat bedoeld was als een ludieke reclamestunt voor de Boekenweek in Rotterdam. Hoewel ze werd vrijgesproken en het boek een bestseller werd, bleef Blaman zich ongemakkelijk voelen. In juni 1948 wees ze dan ook de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde af, die ze met de kleinst mogelijke meerderheid had gewonnen. Toen ze eind 1950 de romanprijs van de gemeente Amsterdam won, leek het rumoer rond Eenzaam avontuur eindelijk verstomd.

Geplaatst in Literair | Een reactie plaatsen